De werknemer was sinds 2001 in dienst en raakte in 2018 arbeidsongeschikt door psychische klachten. De werkgever vroeg en kreeg een ontslagvergunning vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid en beëindigde het dienstverband in februari 2021. De werknemer vorderde een billijke vergoeding, loon over meeruren en niet-genoten vakantie-uren.
De kantonrechter oordeelde dat de werknemer onvoldoende had onderbouwd dat het ontslag het gevolg was van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Er was geen medisch causaal verband aangetoond tussen werkdruk en ziekte. Ook de re-integratieverplichtingen waren volgens het UWV voldoende nagekomen.
Verder werd het verzoek tot uitbetaling van meeruren afgewezen omdat niet was komen vast te staan dat de werkgever hiervan op de hoogte was en instemde, mede omdat overwerk gecompenseerd werd met vrije tijd. De vorderingen over niet-genoten vakantie-uren werden afgewezen omdat partijen overeenstemming hadden bereikt over het aantal uit te betalen uren.
De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. De kantonrechter wees alle verzoeken af en sprak de beschikking uit op 28 juli 2021.