ECLI:NL:RBMNE:2021:369

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 februari 2021
Publicatiedatum
5 februari 2021
Zaaknummer
UTR 20/1950
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Verordening op de heffing en invordering van Parkeerbelastingen 2019 gemeente UtrechtHR 12 mei 1999 ECLI:NL:HR:1999:AA2760HR 10 juni 1975, nr. 67 757, NJ 1975/481
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens ontbreken bewijs van onmiddellijk laden en lossen bij naheffing parkeerbelasting

Eiser kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat hij zijn voertuig parkeerde zonder te betalen op een locatie waar dat verplicht was. Eiser stelde dat hij aan het laden en lossen was en dat de heffingsambtenaar onzorgvuldig had gehandeld. Hij wilde stukken inzien en had een getuige die zijn verklaring kon ondersteunen, maar deze is niet verschenen en er is geen verklaring overgelegd.

De rechtbank baseerde zich op de Verordening op de heffing en invordering van Parkeerbelastingen 2019 gemeente Utrecht en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad die stelt dat onmiddellijk laden en lossen betekent dat het voertuig direct na stilstand wordt geladen of gelost gedurende de noodzakelijke tijd, en dat de goederen van zodanige aard moeten zijn dat vervoer per auto noodzakelijk is.

De bewijslast hiervoor ligt bij degene die zich op deze uitzondering beroept. De parkeercontroleur constateerde geen activiteiten die duiden op laden en lossen; de auto stond stil met gesloten achterklep, zonder alarmlichten en zonder personen in de buurt. De rechtbank concludeerde dat er geen sprake was van onmiddellijk laden en lossen maar van parkeren, en dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard omdat niet is aangetoond dat sprake was van onmiddellijk laden en lossen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/1950

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder
(gemachtigde: W. Vos).

Procesverloop

In het besluit van 18 december 2019 (primair besluit) heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ter hoogte van in totaal € 65,63, bestaande uit het bedrag van de parkeerbelasting van € 2,93 en de kosten van de naheffing van € 62,70.
In het besluit van 7 mei 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2021 via een Skypeverbinding. Eiser is zonder bericht niet verschenen. De griffier heeft ter zitting telefonisch contact opgenomen met eiser en zijn voicemail ingesproken met een terugbelverzoek, maar eiser heeft hierop niet gereageerd voor het sluiten van het onderzoek ter zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser heeft zijn voertuig met kenteken [kenteken] op 18 december 2019 op een reguliere parkeerplaats aan de [adres] te [plaats] stil gezet en heeft het voertuig verlaten. Deze locatie is in de Verordening op de heffing en invordering van Parkeerbelastingen 2019 gemeente Utrecht (hierna: de Verordening) aangewezen als parkeerplaats waar op dat tijdstip alleen mag worden geparkeerd onder voldoening van parkeerbelasting. Eiser betwist niet dat hij geen parkeerbelasting heeft betaald. De auto van eiser is op 18 december 2019 op 14:29 door een scanauto gecontroleerd. Om 14:39 is de auto nogmaals door een parkeercontroleur gecontroleerd. Daarom is aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd zoals hiervoor vermeld.
2. Eiser heeft het volgende aangevoerd. Er was sprake van laden en lossen en verweerder heeft onzorgvuldig onderzoek gedaan. Eiser wenst hiertoe de stukken in te zien. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet heeft uitgelegd waarom het bezwaar ongegrond is. Eiser heeft een getuige die kan verklaren dat hij aan het laden en lossen was. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit twee foto’s van de situatie ter plaatse niet blijkt van een situatie waarin werd geladen of gelost. De ambtenaar heeft ten tijde van de tweede foto geconstateerd dat de achterklep van de auto niet open stond, de alarmlichten niet aan stonden en dat zich niemand bevond in de omgeving van de auto. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd medegedeeld dat de eerste fotoserie van 14:29 uur is gemaakt met een scanauto en de tweede fotoserie van 14:39 uur door een controleur, die met een camera rond het voertuig is gelopen.
3. Van parkeren in de zin van artikel 1 van Pro de Verordening is sprake als een auto gedurende een aaneengesloten periode stilstaat anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop die doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.
4. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 12 mei 1999 [1] , wordt onder onmiddellijk laden en lossen verstaan het onmiddellijk, nadat het voertuig tot stilstand is gebracht, bij voortduring inladen of uitladen van goederen gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het moet gaan om goederen van zodanige omvang of gewicht dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per auto kunnen worden gehaald of gebracht (vgl. HR 10 juni 1975, nr. 67 757, NJ 1975/481).
5. De bewijslast dat sprake was van ‘onmiddellijk laden en lossen’ rust op degene die zich beroept op de uitzondering zoals vermeld in artikel 1 van Pro de Verordening.
6. De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken blijkt dat de parkeercontroleur geen activiteiten gericht op het bij voortduring onmiddellijk laden en lossen van goederen heeft geconstateerd. Eiser heeft in beroep gesteld dat hij een getuige heeft die -zo begrijpt de rechtbank- kan bevestigen dat hij aan het laden en lossen was, maar deze getuige is niet verschenen en eiser heeft geen verklaring van de betreffende getuige overgelegd. Nu eiser de inhoud van de verklaringen van verweerder ter zitting niet onderbouwd heeft weersproken, ziet de rechtbank geen reden om aan de juistheid van de bevindingen van de parkeercontroleur te twijfelen of tot het oordeel te komen dat verweerder naar aanleiding van de verklaringen van eiser nader onderzoek heeft moeten instellen. Naar het oordeel van de rechtbank is dus geen sprake van onmiddellijk laden en/of lossen, maar van parkeren. Hiervoor was eiseres parkeerheffing verschuldigd.
7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de naheffingsaanslag terecht aan eiseres opgelegd.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins-Langedijk, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 2 februari 2021en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.