ECLI:NL:RBMNE:2021:3722
Rechtbank Midden-Nederland
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring wrakingsverzoek tegen kantonrechter in bewindvoeringzaak
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen kantonrechter P.J. Neijt, omdat hij zich onheus behandeld voelde in een procedure over het bewind over het vermogen van hun pleegkind. Verzoeker vond dat de kantonrechter onvoldoende luisterde en niet oog had voor de verstandelijke beperkingen van het onder bewind gestelde.
De kantonrechter stelde dat het ging om een nieuwe procedure en niet om het heropenen van een eerdere zaak. Hij had in de eerdere procedure niet over de stellingen van verzoeker geoordeeld en was niet partijdig. De wrakingskamer toetste of er sprake was van een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.
De wrakingskamer oordeelde dat de gang van zaken geen blijk gaf van vooringenomenheid. De kantonrechter had alle betrokkenen voldoende gelegenheid gegeven het woord te voeren en er was geen aanwijzing dat hij al een oordeel had gevormd. De persoonlijke beleving van verzoeker was onvoldoende om de wraking toe te wijzen.
De wrakingskamer verklaarde het verzoek tot wraking ongegrond en bepaalde dat de procedure met zaaknummer 9231267 / UT VERZ 21-8473 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond bij schorsing. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter is ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.