Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[verzoeker] e.a., te [woonplaats] , verzoekers,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, verweerder
[derde-partij] B.V., te [vestigingsplaats] , gemachtigde: S.M. Smid.
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor de bouw van zes townhouses en drie appartementen en verzochten om een voorlopige voorziening om de bouw te stoppen.
De voorzieningenrechter beoordeelde het spoedeisend belang en concludeerde dat de bouw pas in het tweede kwartaal van 2021 zou starten en dat de bezwarenprocedure medio februari 2021 een hoorzitting kent met een beslissing binnen zes weken daarna. Hierdoor zou de bezwaarprocedure zijn afgerond voordat de bouw begint, zodat geen onomkeerbare situatie ontstaat.
Daarnaast oordeelde de voorzieningenrechter dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet gericht kan zijn op de inhoudelijke behandeling van de bezwaren, omdat dit geen spoedeisend belang oplevert. Ook bleek het primaire besluit niet evident onrechtmatig, zodat geen aanleiding was om de voorlopige voorziening toe te wijzen.
Het verzoek is daarom afgewezen, zonder proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatigheid.