ECLI:NL:RBMNE:2021:3780

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 januari 2021
Publicatiedatum
10 augustus 2021
Zaaknummer
UTR 20/4455
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Midden-Nederland oordeelt over overschrijding beslistermijn Wob-verzoek NVWA

Eisers hebben een verzoek ingediend op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op 4 augustus 2020. Verweerder, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, heeft niet tijdig beslist binnen de wettelijk voorgeschreven termijn. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn, inclusief een verlenging van vier weken, is overschreden.

Eisers hebben verweerder op 2 oktober 2020 in gebreke gesteld, waarna twee weken zijn verstreken zonder dat een besluit is genomen. De rechtbank bepaalt dat verweerder alsnog binnen een termijn van vier weken een besluit moet nemen, waarbij rekening is gehouden met capaciteitsproblemen bij de NVWA en de impact van coronamaatregelen.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 bij verdere overschrijding. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van het griffierecht van € 178 en een proceskostenvergoeding van € 267 aan eisers. Het beroep wordt gegrond verklaard en het niet tijdig nemen van een besluit vernietigd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een beslistermijn van vier weken op en een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/4455

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2021 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. R.M. Rensing),
en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H.T.M. van Straaten).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op hun verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Awb.
3. Eisers hebben hun verzoek ingediend op 4 augustus 2020. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op dit verzoek. Dat staat in artikel 6, eerste lid, van de Wob. Verweerder had in eerste instantie uiterlijk op 1 september 2020 moeten beslissen. Verweerder heeft de beslistermijn verlengd met vier weken. Verweerder had dus uiterlijk op 29 september 2020 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eisers verweerder op 2 oktober 2020 in gebreke hebben gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.
4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Gelet op het bepaalde in artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt de rechtbank in beginsel dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. Van deze termijn kan in bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt van worden afgeweken.
5. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat de oorzaak van het niet tijdig beslissen op het verzoek van eisers is gelegen in de achterstanden van de behandeling van andere, omvangrijke verzoeken, de grote hoeveelheid ingediende Wob-verzoeken bij de NVWA, capaciteitsproblemen binnen de NVWA en de benodigde prioritering ten aanzien van de behandeling van al deze verzoeken. Gelet op genoemde omstandigheden en de coronamaatregelen, heeft verweerder de rechtbank verzocht hier rekening mee te houden bij het bepalen van de termijn waarbinnen verweerder alsnog moet beslissen. Verweerder acht een beslistermijn van vier weken realistisch om een zorgvuldig besluit te kunnen nemen.
6. De rechtbank ziet onder de gegeven omstandigheden aanleiding om aan verweerder een langere beslistermijn dan twee weken op te leggen. Om zowel recht te doen aan het belang van eisers bij een duidelijke beslistermijn, als het belang van verweerder om tot een zorgvuldige besluitvorming te kunnen komen, zal de rechtbank een uiterlijke beslistermijn opleggen van vier weken.
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
8. Het beroep is kennelijk gegrond.
9. Dat betekent ook dat eisers een vergoeding krijgen voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eisers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hen een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 267,-.
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van €178,- aan eisers betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 178,- dat eisers hebben betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 267,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van
N.J.R. Kalaykhan, griffier. De beslissing is uitgesproken op 22 januari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.