ECLI:NL:RBMNE:2021:3791
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning aan de [adres 1] voor belastingjaar 2020
In deze bestuursrechtelijke zaak betwist eiser de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van een woning aan de [adres 1] voor het belastingjaar 2020, vastgesteld op € 261.000,-. Eiser vordert een lagere waarde van € 233.000,-. Verweerder onderbouwt de waarde met een taxatiematrix waarin referentiewoningen van vergelijkbaar type en ligging zijn gebruikt.
De rechtbank overweegt dat verweerder de bewijslast draagt om aan te tonen dat de waarde niet te hoog is vastgesteld en acht de taxatiematrix en toelichting voldoende overtuigend. Diverse beroepsgronden van eiser, waaronder het niet volledig verstrekken van bepaalde taxatiestukken en het uitsluitend baseren van de waarde op één referentiewoning, worden verworpen. Ook het argument dat oudere verkoopdata van referentiewoningen niet bruikbaar zijn, wordt niet gevolgd.
De rechtbank wijst erop dat eiser tijdens de hoorzitting niet heeft herhaald dat hij bepaalde stukken miste, waardoor deze beroepsgrond buiten beschouwing wordt gelaten. Daarnaast is onvoldoende gebleken dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met kwaliteitsverschillen en gedateerde voorzieningen in de woning.
Gelet op de overwegingen concludeert de rechtbank dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog is en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van € 261.000,- blijft gehandhaafd.