ECLI:NL:RBMNE:2021:3793
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde woning ondanks betwisting referentiewoningen en ontbrekende foto's
In deze bestuursrechtelijke zaak betwist eiser de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor het belastingjaar 2020. Verweerder had de waarde vastgesteld op €278.000,-, terwijl eiser een lagere waarde van €255.000,- vorderde. De rechtbank oordeelt dat verweerder met een taxatiematrix en toelichting aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, waarbij rekening is gehouden met verschillen tussen de woning en referentiewoningen.
Eiser voerde aan dat verweerder niet voldeed aan artikel 40 van Pro de Wet WOZ door niet alle gevraagde stukken te verstrekken en dat referentiewoningen te oud of onvoldoende vergelijkbaar zouden zijn. De rechtbank overweegt dat eiser tijdens de hoorzitting zijn verzoeken niet heeft herhaald en dat het beroep op artikel 40 daarom Pro buiten beschouwing blijft. De verkoopdata van referentiewoningen liggen weliswaar meer dan een jaar voor de waardepeildatum, maar zijn nog bruikbaar vanwege de vergelijkbaarheid.
Verder stelde eiser dat verweerder onvoldoende rekening hield met gedateerde voorzieningen en het ontbreken van foto's van de binnenzijde van de woning. Verweerder had meerdere verzoeken gedaan om foto's te ontvangen, waarop eiser niet reageerde. De rechtbank vindt dat verweerder het voorzieningenniveau redelijk als gemiddeld heeft vastgesteld en wijst het beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €278.000,- wordt ongegrond verklaard.