ECLI:NL:RBMNE:2021:3796
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen WOZ-waarde woning ondanks betwisting oppervlakte en staat
In deze bestuursrechtelijke zaak betwist eiser de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor het belastingjaar 2020, vastgesteld op €256.000,-. Eiser stelt een lagere waarde van €232.000,- voor en voert onder meer aan dat de oppervlakte van een referentiewoning onjuist is vastgesteld en dat de woning gedateerd is.
De rechtbank overweegt dat de WOZ-waarde de waarde in het economisch verkeer betreft en dat verweerder de bewijslast draagt om de juistheid van de waarde aan te tonen. Verweerder heeft een taxatiematrix overgelegd, gebaseerd op een inpandige opname en vergelijking met referentiewoningen, waarvan zes door eiser zelf zijn aangedragen.
De rechtbank acht de taxatiematrix en de toelichting daarop voldoende om de vastgestelde waarde te rechtvaardigen. De door eiser aangevoerde bezwaren, waaronder de leeftijd van de keuken en badkamer, de oppervlakte van een referentiewoning en de waardering van aanbouwen, slagen niet. De rechtbank wijst erop dat bouwtekeningen een nauwkeuriger basis vormen dan openbare bronnen voor oppervlaktebepaling. De beroepsgrond over de ligging nabij hoogspanningsmasten is ingetrokken.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en handhaaft de WOZ-waarde zoals vastgesteld door verweerder.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van €256.000,- gehandhaafd.