ECLI:NL:RBMNE:2021:3797

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 juli 2021
Publicatiedatum
10 augustus 2021
Zaaknummer
UTR 20/4198
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling WOZ-waarde recreatiewoning na vernietiging uitspraak op bezwaar

In deze bestuursrechtelijke zaak betwist eiseres de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde van haar recreatiewoning voor het belastingjaar 2020, vastgesteld op €154.000 naar de waardepeildatum 1 januari 2019. Na een ongegrond verklaard bezwaar door de gemeente, stelt eiseres beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank overweegt dat de gemeente de bewijslast draagt om aan te tonen dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. De gemeente baseert zich op een taxatiematrix en stelt dat indexering van verkoopprijzen van referentiewoningen niet nodig is vanwege een vermeende afwezigheid van marktontwikkeling. Echter, de onderbouwing van het gehanteerde indexeringspercentage van 0% ontbreekt in het dossier, waardoor eiseres niet in staat is dit te controleren of te betwisten.

De rechtbank oordeelt dat de gemeente hiermee tekortschiet in haar bewijslast en verklaart het beroep gegrond. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of eiseres haar lagere waarde van €137.000 aannemelijk maakt, maar vindt dat ook zij onvoldoende onderbouwing levert. Daarom stelt de rechtbank de waarde schattenderwijs vast op €148.000 en bepaalt dat de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig wordt verminderd.

Verder veroordeelt de rechtbank de gemeente in de proceskosten en draagt zij op het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden. De uitspraak vervangt de vernietigde uitspraak op bezwaar en is openbaar gemaakt op 23 juli 2021.

Uitkomst: De rechtbank stelt de WOZ-waarde vast op €148.000 en vermindert de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/4198

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2021 in de zaak tussen

[eiseres] uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: G. Gieben)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder

(gemachtigde: T. Mertens).

Procesverloop

In de beschikking van 29 februari 2020 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de [adres 1] te [woonplaats] (de woning) voor het belastingjaar 2020 vastgesteld op € 154.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2019. Verweerder heeft bij deze beschikking aan eiseres als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelastingen opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
In de uitspraak op bezwaar van 9 oktober 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift en een taxatiematrix ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 9 maart 2021, via een skypeverbinding. Eiseres is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] , waarnemer van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.De woning is een in 2005 gebouwde vrijstaande recreatiewoning met een berging. De woning heeft een inhoud van 230 m3 en ligt op een kavel van 336 m2.
2.De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald.
3.Eiseres bepleit een lagere waarde, namelijk € 137.000,-. Verweerder handhaaft de vastgestelde waarde en heeft om die te onderbouwen een taxatiematrix overgelegd.
4.Verweerder heeft de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiseres ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd meewegen.
5.De rechtbank is van oordeel dat verweerder er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de verkoopprijzen van de referentiewoningen niet behoeven te worden geïndexeerd naar de waardepeildatum, omdat er geen marktontwikkeling is geweest. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat dit blijkt uit een lijst van verkoopcijfers, die geen onderdeel uitmaakt van de dossierstukken. Eiseres heeft terecht aangevoerd dat verweerder op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb gehouden was om deze cijfermatige gegevens, die ten grondslag liggen aan het indexeringspercentage van 0%, aan de rechtbank te sturen omdat het hier gaat om op de zaak van eiseres betrekking hebbende stukken. De rechtbank acht de cijfermatige onderbouwing van het indexeringspercentage in de zaak van eiseres extra van belang, omdat de verkoopdata van de referentiewoningen vrij ver afliggen van de waardepeildatum. De referentiepanden zijn namelijk verkocht in januari 2018 en in oktober en november 2019. Nu verweerder heeft nagelaten om de cijfermatige onderbouwing van het indexeringspercentage toe te sturen, is eiseres onvoldoende in de gelegenheid geweest om de juistheid van deze gegevens te controleren en te betwisten. [1]
6.Het beroep is gegrond en de uitspraak op bezwaar moet worden vernietigd.
7.De rechtbank moet vervolgens beoordelen of eiseres de door haar voorgestane waarde aannemelijk maakt. Om een lagere waarde te onderbouwen, verwijst eiseres naar de verkoopcijfers van de woningen [adres 2] en [nummer] . De rechtbank stelt vast dat een herleiding van de waarde van de woning uit de verkoopcijfers van de door eiseres genoemde woningen ontbreekt. Uit de enkele verkoopcijfers van deze woningen kan dan ook niet worden afgeleid dat verweerder de waarde te hoog heeft vastgesteld.
8.Partijen hebben de waardes die zij voorstaan beide niet aannemelijk gemaakt. Rekening houdend met alle feiten en omstandigheden zal de rechtbank de waarde schattenderwijs vaststellen op € 148.000,-. De rechtbank zal verder bepalen dat verweerder de aanslag onroerendezaakbelastingen dienovereenkomstig vermindert.
9.Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
10.De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.598,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 265,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 534,-, met wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • stelt de waarde van het object vast op € 148.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2019 en bepaalt dat de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig wordt verlaagd;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.590;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier. De beslissing is uitgesproken op 23 juli 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 5 juli 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2980.