Eiser diende op 8 februari 2021 een aanvraag in bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid op grond van de Wet openbaarheid bestuur (Wob). Verweerder moest uiterlijk 8 maart 2021 beslissen, maar liet deze termijn voorbijgaan zonder besluit te nemen. Eiser stelde verweerder op 5 mei 2021 in gebreke, waarna het beroep werd ingesteld.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat verweerder niet tijdig heeft beslist. Hoewel verweerder om uitstel vroeg vanwege de omvang en complexiteit van het verzoek, acht de rechtbank dit een bijzonder geval en stelt een nieuwe beslistermijn vast tot uiterlijk 1 oktober 2021. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor verdere overschrijding.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht van €181 en een proceskostenvergoeding van €374 aan eiser, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp en het beperkte onderwerp van het geschil. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het niet tijdig genomen besluit.