Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2021:3995

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 augustus 2021
Publicatiedatum
23 augustus 2021
Zaaknummer
21/4 H
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 376 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging afkoelingsperiode in WHOA-akkoordprocedure wegens voortgang onderhandelingen

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 5 augustus 2021 besloten de afkoelingsperiode in de WHOA-akkoordprocedure van [onderneming 1] B.V. te verlengen met vier maanden. Dit verzoek was ingediend door de herstructureringsdeskundige op grond van artikel 376 lid 5 Fw Pro.

De rechtbank stelde vast dat er geen derden waren die bezwaar konden maken en dat de omstandigheden die de initiële afkoelingsperiode rechtvaardigden nog steeds bestonden. Er is een risico dat schuldeisers beslag leggen op het banksaldo, wat de voortgang van het akkoord zou belemmeren.

Er is belangrijke vooruitgang geboekt: onderhandelingen met schuldeisers leiden tot overeenstemming met een groot deel, er is duidelijkheid over de positie van de Belastingdienst, bedrijfsmiddelen zijn geveild en er lopen onderhandelingen over mogelijke schadeclaims. De herstructureringsdeskundige heeft aangegeven dat nog enkele procedures lopen en dat overleg met Woningborg en de Belastingdienst nog gaande is.

De rechtbank acht verlenging noodzakelijk om de gecontroleerde afwikkeling te waarborgen en verlengt de afkoelingsperiode met ingang van 6 augustus 2021 met vier maanden. Gedurende deze periode mogen derden geen verhaal nemen op het vermogen van de onderneming zonder toestemming van de rechtbank.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de afkoelingsperiode met vier maanden wegens belangrijke voortgang in de totstandkoming van het akkoord.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Toezicht
locatie Utrecht
zaaknummer: 21/4 H
Beschikking op grond van artikel 376 lid 5 Fw Pro (verlenging afkoelingsperiode) van
5 augustus 2021
in de zaak van
de heer mr.
F.A.M. NOWEE,
in zijn hoedanigheid van herstructureringsdeskundige in de akkoordprocedure van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[onderneming 1] B.V.,
kantoor houdende te [.] ,
verzoeker,
advocaat: mr. R.H. Bask te Utrecht.
Betrokkenen zullen hierna [onderneming 1] en de Herstructureringsdeskundige worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de beschikking van 6 april 2021,
  • het verzoek van de Herstructureringsdeskundige van 30 juli 2021 tot verlenging van de afkoelingsperiode met een termijn van vier maanden.
1.2.
Uit het verzoek volgt niet dat sprake is van de in artikel 376 lid 2 Fw Pro bedoelde derden, beslagleggers of schuldeisers die een faillissementsverzoek hebben ingediend, zodat geen aanleiding bestaat om hen in de gelegenheid te stellen een zienswijze te geven.
1.3.
Gelet op de hierna te nemen beslissing, werd geen mondelinge behandeling bepaald.

2.De beoordeling

Bevoegdheid en ontvankelijkheid

2.1.
De rechtbank heeft zich op 6 april 2021 bevoegd verklaard, zodat de rechtbank ook bevoegd is om kennis te nemen van voorliggend verzoekschrift. Het verzoek tot verlenging van de afkoelingsperiode is op 30 juli 2021 bij deze rechtbank ingediend, voordat de initiële afkoelingsperiode is verstreken. De Herstructureringsdeskundige kan dan ook worden ontvangen in zijn verzoek tot verlenging van de afkoelingsperiode.
2.2.
Gelet op de stellingen van de Herstructureringsdeskundige, gaat de rechtbank ervan uit dat de omstandigheden die ten grondslag hebben gelegen aan de afkondiging van de afkoelingsperiode op 6 april 2021 zich nog steeds voordoen, tenzij hierna anders wordt vermeld. Een afkoelingsperiode blijft noodzakelijk om te voorkomen dat door derden verhaal wordt genomen op de lopende rekening. Het banksaldo is noodzakelijk ter voldoening van de redelijke kosten in verband met de aanbieding van het akkoord en de lopende kosten in het kader van de gecontroleerde afwikkeling van de onderneming. Er zijn signalen dat schuldeisers nog altijd voornemens zijn om na afloop van de afkoelingsperiode beslag te leggen op het banksaldo. Enkele van hen hebben inmiddels al executoriale titels verkregen. Dergelijke beslagen zullen de reeds gemaakte voortgang zoals onder 2.3. beschreven, in gevaar brengen.
2.3.
Op grond van artikel 376 lid 5 Fw Pro kan de afkoelingsperiode worden verlengd als voldoende aannemelijk is dat er belangrijke vooruitgang is geboekt in de totstandkoming van het akkoord. Uit het verzoek van de Herstructureringsdeskundige blijkt ten aanzien van de vooruitgang het volgende:
- Er zijn onderhandelingen gaande met de schuldeisers. De standpunten over de hoogte van de vorderingen van schuldeisers lopen sterk uiteen. Inmiddels is er met een groot aantal schuldeisers overeenstemming bereikt en een aanzienlijk deel staat positief tegenover een mogelijk aan te bieden akkoord.
- De Belastingdienst heeft een preferente vordering ten bedrage van minimaal
€ 970.000. Per 1 juli 2021 heeft de Belastingdienst haar beleid ten aanzien van een WHOA-akkoord vastgelegd in de Leidraad Invordering 2008. Hierdoor is pas recent duidelijkheid ontstaan over de positie van de Belastingdienst. Tussen [onderneming 1] en de Belastingdienst bestaat nog verschil van inzicht over de datum van verbreking van de fiscale eenheden voor de omzetbelasting en vennootschapsbelasting. De uitkomst van dit geschil kan substantiële gevolgen hebben voor de haalbaarheid van het akkoord.
- Alle bedrijfsmiddelen zijn ter veiling aangeboden en hebben een opbrengst gerealiseerd van € 43.000. Er resteren nog enkele activa waarvan de veiling moet worden afgerond.
- Enkele opdrachtgevers menen dat [onderneming 1] schadeplichtig is. Op dit moment zijn er onderhandelingen gaande over de schadeplichtigheid en ook de afwikkeling van garanties.
2.4.
Gelet op het voorgaande, is aannemelijk dat belangrijke vooruitgang is geboekt in de totstandkoming van het akkoord. Zo is de Herstructureringsdeskundige in onderhandeling getreden met de schuldeisers, opdrachtgevers en de Belastingdienst. Daarnaast is er voortgang geboekt met het veilen van de bedrijfsmiddelen.
2.5.
De Herstructureringsdeskundige heeft aangegeven meer tijd nodig te hebben. De volgende werkzaamheden moeten thans nog worden verricht:
- In tegenstelling tot de verwachtingen bij het indienen van het verzoek tot herstructureringsdeskundige, is er nog niet in alle procedures eindvonnis gewezen. [onderneming 1] wacht nog op vonnis in twee omvangrijke procedures.
- Een voormalig opdrachtgever is een eindtermijn verschuldigd en heeft als voorwaarde voor betaling gesteld dat over de garantieverplichtingen van [onderneming 1] adequate afspraken worden gemaakt. De onderhandeling bevindt zich in een vergevorderd stadium en het is de verwachting dat er op korte termijn overeenstemming kan worden bereikt.
- Enkele opdrachtgevers kunnen mogelijk een beroep doen op de zogenaamde Woningborggarantie. De voorwaarden waaronder dit kan gebeuren zijn in onderzoek. Bij toewijzing zouden de vorderingen van de desbetreffende opdrachtgevers op [onderneming 1] (deels) komen te vervallen. Mogelijk komt er wel een regresvordering van Woningborg voor in de plaats. De vorderingen zijn omvangrijk en hebben grote invloed op de inhoud en haalbaarheid van het akkoord. In samenspraak met de opdrachtgevers vindt er daarom overleg plaats met Woningborg.
- De Herstructureringsdeskundige en [onderneming 1] zijn in onderhandeling met de Belastingdienst over de vraag wanneer de fiscale eenheden als verbroken dienen te worden aangemerkt. [onderneming 1] heeft hierover advies ingewonnen.
2.6.
Op basis van het voorgaande bestaat aanleiding om de afkoelingsperiode met de verzochte vier maanden te verlengen. De Herstructureringsdeskundige zal, conform de beschikking van 6 april 2021, erop toezien dat gedurende de afkoelingsperiode het voor verhaal beschikbare actief niet zal verminderen, tenzij dat in het kader van de gecontroleerde afwikkeling redelijkerwijs nodig is.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
verlengt de op 6 april 2021 afgekondigde afkoelingsperiode als bedoeld in artikel 376 Fw Pro met een periode van vier maanden, ingaande 6 augustus 2021. De afkoelingsperiode houdt in:
  • dat elke bevoegdheid van derden tot verhaal op goederen die tot het vermogen van [onderneming 1] behoren of tot opeising van goederen die zich in de macht van [onderneming 1] bevinden, niet kan worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechtbank, mits die derden geïnformeerd zijn over de afkondiging van de afkoelingsperiode of op de hoogte zijn van het feit dat een akkoord wordt voorbereid;
  • dat de behandeling van een door een schuldeiser jegens [onderneming 1] ingediend verzoek tot faillietverklaring wordt geschorst.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Neijt, voorzitter, mr. R. Cats en
mr. E. Boerwinkel en in aanwezigheid van de griffier mr. W.F.B. van den Berg in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2021.