ECLI:NL:RBMNE:2021:3999

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 april 2021
Publicatiedatum
24 augustus 2021
Zaaknummer
96/186814-16
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet DNAArt. 7 Wet DNAArt. 67 lid 1 Wetboek van StrafvorderingArt. 176 lid 2 Wegenverkeerswet 1994Art. 8 lid 2 onderdeel b Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen DNA-afname wegens wetswijziging en legaliteitsbeginsel gegrond verklaard

Veroordeelde maakte bezwaar tegen het bevel tot DNA-afname en verwerking in de DNA-databank, omdat de veroordeling betrekking had op een feit van 1 september 2016, vóór de wetswijziging van 1 januari 2020 die DNA-afname voor dit feit mogelijk maakte.

De raadsman voerde aan dat het bevel onrechtmatig was omdat ten tijde van het plegen van het feit geen voorlopige hechtenis was toegestaan en de strafbaarstelling later was gewijzigd in het nadeel van veroordeelde zonder overgangsrecht. Het Openbaar Ministerie stelde zich op het standpunt dat het bezwaar gegrond moest worden verklaard.

De rechtbank oordeelde dat toepassing van het legaliteitsbeginsel zich verzet tegen de DNA-afname voor feiten gepleegd vóór de wetswijziging. Het bezwaar werd daarom gegrond verklaard. De beslissing werd genomen door de enkelvoudige raadkamer op 6 april 2021 en is niet vatbaar voor beroep.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de DNA-afname wordt gegrond verklaard vanwege het legaliteitsbeginsel.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie [geboorteplaats]
Parketnummer: 96/186814-16
Rekestnummer: 21/211
Beschikking van de enkelvoudige raadkamer, op het op 26 januari 2021 ter griffie van deze rechtbank ingekomen bezwaarschrift op de voet van artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna te noemen: de Wet DNA), van

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1946 te [geboorteplaats] ,
(hierna: veroordeelde),
domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman, mr. M.H.H. Meulemeesters, advocaat te Zeist.
In verband met de beperkende maatregelen wegens de uitbraak van het corona-virus en met instemming van de officier van justitie en de raadsman is het bezwaar zonder mondelinge behandeling aan de orde geweest in de raadkamer van 23 maart 2021.
Veroordeelde maakt bezwaar tegen het bepalen van zijn DNA-profiel en de verwerking daarvan in een DNA-databank.
De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van het dossier in de strafzaak tegen veroordeelde als verdachte (met bovenvermeld parketnummer), van voornoemd bezwaarschrift, de aanvulling op het bezwaar van 29 januari 2021 en het advies van de officier van justitie van 29 maart 2021.
De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onderhavige bezwaarschrift uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1. op 28 september 2020 is veroordeelde door de politierechter van deze rechtbank veroordeeld ter zake van overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994, overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994 en overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, tot een taakstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een geldboete van € 300,- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;
2. op 9 november 2020 is door de officier van justitie een bevel tot afname van DNAmateriaal gegeven;
3. op 12 januari 2021 is bij veroordeelde celmateriaal afgenomen.
Overwegingen
Namens veroordeelde heeft de raadsman onder meer aangevoerd dat het bevel op grond van artikel 2 van Pro de Wet niet gegeven had mogen worden.
Er is ten onrechte DNA afgenomen want de veroordeling voldoet niet aan de vereisten van artikel 2 lid 1 van Pro de Wet DNA en artikel 67 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna; Sv). Het bevel tot afname van DNA is afgegeven voor een strafbaar feit waarvoor ten tijde van het plegen geen voorlopige hechtenis was toegestaan.
De wetswijziging per 1 januari 2020 ten aanzien van artikel 7 lid 1 sub Pro a/c WVW, in die zin dat de strafbaarstelling voor dit specifieke wetsartikel (art 176 lid 2 WVW Pro) is genoemd als één van de bijzondere bepalingen onder art 67 lid 1 onder Pro c Sv, dateert van ná het strafbare feit van 1 september 2016. De strafbaarstelling is gewijzigd in het nadeel van veroordeelde. Als veroordeelde binnen redelijke termijn voor 1 januari 2020 zou zijn berecht, had zijn DNA niet mogen worden afgenomen. Er is geen overgangsrecht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het bezwaarschrift gegrond moet worden verklaard. Verzoeker is veroordeeld voor feiten die hebben plaatsgevonden op 1 september 2016, geruime tijd voordat de wetswijziging heeft plaatsgevonden. Bovendien heeft het Openbaar Ministerie het einddossier al op 13 oktober 2016 heeft ontvangen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het bezwaar gegrond is.
Het legaliteitsbeginsel verzet zich ertegen dat alsnog DNA wordt afgenomen voor een strafbaar feit waarvoor ten tijde van het plegen van het strafbare feit geen DNA werd afgenomen.
Het bezwaarschrift is gegrond.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het bezwaar gegrond.

Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 6 april 2021 door mr. R.L.M. van Opstal, rechter, als lid van de enkelvoudige raadkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van Wiggen – van der Hoek, griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.