ECLI:NL:RBMNE:2021:4047
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde vrijstaande woning aan de hand van taxatiematrix en referentiewoningen
In deze bestuursrechtelijke zaak betwist eiseres de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van haar vrijstaande woning aan een adres in een plaats, vastgesteld op € 783.000,- met waardepeildatum 1 januari 2019. Eiseres stelt dat de waarde te hoog is en pleit voor een lagere waarde van € 559.000,-. De heffingsambtenaar heeft de waarde onderbouwd met een taxatiematrix waarin referentiewoningen van vergelijkbaar type en ligging zijn gebruikt.
De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar de bewijslast draagt om aan te tonen dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Uit de taxatiematrix blijkt dat de waardebepaling is gebaseerd op vergelijking met referentiewoningen, waarbij rekening is gehouden met verschillen in gebruiksoppervlakte, perceelgrootte, kwaliteit en ligging. De rechtbank acht de gebruikte referentiewoningen, waaronder een woning die meer dan een jaar voor de peildatum is verkocht, goed vergelijkbaar.
Eiseres voert aan dat de ligging minder gunstig is door een drukke rondweg en geluidsoverlast van blaffende honden, en dat de woning in matige staat verkeert door lekkages. Ook stelt zij dat de waardering van bijgebouwen bij referentiewoningen onjuist is. De rechtbank volgt deze argumenten niet, mede omdat de taxateur heeft toegelicht dat dergelijke factoren in de taxatiematrix zijn verwerkt en dat de marktontwikkelingen de invloed van geluidsoverlast beperken.
De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard.