ECLI:NL:RBMNE:2021:4056
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde penthouse en onderbouwing koopsom
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een penthouse in een appartementencomplex, vastgesteld op €674.000,- voor het belastingjaar 2019 met waardepeildatum 1 januari 2018. Eiser betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van €473.000,- voor, gebaseerd op zijn aankoopprijs van €508.000,- inclusief aandeel in het VvE-reservefonds.
De rechtbank overweegt dat de WOZ-waarde de waarde in het economisch verkeer moet weergeven en dat een recente aankoopprijs in principe als uitgangspunt kan dienen. Echter, verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat de koopsom niet representatief is, omdat eiser al huurder was en de verkoop aan een zittende huurder niet voldoet aan de wettelijke eisen. Verweerder onderbouwt de waarde met een taxatiematrix waarin vergelijkbare referentiewoningen worden gebruikt.
Eiser heeft enkele beroepsgronden ingetrokken en andere aangevoerd, zoals het niet meenemen van contact- en liftgeluidsoverlast en de bruikbaarheid van referentiewoningen. De rechtbank oordeelt dat deze gronden onvoldoende zijn onderbouwd of ingetrokken. De taxatiematrix is zorgvuldig opgesteld en gecorrigeerd voor VvE-reserves en indexatie. De rechtbank concludeert dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog is en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €674.000,- wordt ongegrond verklaard.