ECLI:NL:RBMNE:2021:4071

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 juli 2021
Publicatiedatum
25 augustus 2021
Zaaknummer
UTR 20/531 en 20/539
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 AwirArt. 28 AwirArt. 29 AwirArt. 28 Invorderingswet 1990Art. 29 Invorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling invorderingsrente over te veel ontvangen zorg- en huurtoeslag 2013

De zaak betreft het beroep van eiser tegen besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen waarin invorderingsrente is vastgesteld wegens te late terugbetaling van te veel ontvangen zorg- en huurtoeslag over 2013. De primaire besluiten van 18 september 2019 legden respectievelijk €136 en €211 invorderingsrente op. Eiser betwistte de hoogte van de terugvorderingsbedragen en de bevoegdheid van verweerder tot beslaglegging.

De rechtbank stelde vast dat de vaststelling van de toeslagen over 2013 niet onderwerp van geschil was en dat de bestuursrechter bevoegd is te oordelen over de invorderingsrente. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State had eerder definitief geoordeeld dat de toeslagen correct waren vastgesteld. Daarmee stond vast dat eiser te veel toeslagen had ontvangen en dat terugvordering terecht was.

De rechtbank oordeelde dat eiser niet tijdig had terugbetaald en dat op grond van de Awir en Invorderingswet 1990 invorderingsrente verschuldigd is. De invorderingsrente was daarom terecht in rekening gebracht. Beroepen tegen aanmanings- en dwangbevelkosten werden doorverwezen naar de belastingrechter. De beroepen werden ongegrond verklaard en griffierecht werd kwijtgescholden.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de invorderingsrente terecht is opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/531 en UTR 20/539

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. [A] en [B] ).

Procesverloop

In het besluit van 18 september 2019 (primair besluit I) heeft verweerder vastgesteld dat eiser € 136,- invorderingsrente moet betalen omdat hij de te veel ontvangen zorgtoeslag over het jaar 2013 te laat heeft terugbetaald.
In het besluit van 18 september 2019 (primair besluit II) heeft verweerder vastgesteld dat eiser € 211,- invorderingsrente moet betalen omdat hij de te veel ontvangen huurtoeslag over het jaar 2013 te laat heeft terugbetaald
In afzonderlijke besluiten van 10 oktober 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2021. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich via een beeldverbinding laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Griffierecht
1. Eiser heeft de rechtbank verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van het verschuldigde griffierecht. Eiser heeft voldoende aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden voor deze vrijstelling. De rechtbank verleent verzoeker daarom vrijstelling van de betaling van het griffierecht.
Inleiding en besluitvorming verweerder
2. Op 12 februari 2016 heeft verweerder de zorgtoeslag over 2013 herzien en vastgesteld op € 1.055,-. Daarbij heeft verweerder bepaald dat eiser een bedrag van € 1.072,- moet terugbetalen. Op 12 februari 2016 heeft verweerder ook de huurtoeslag over 2013 herzien en vastgesteld op € 0,-. Daarbij heeft verweerder bepaald dat eiser een bedrag van € 1.571,- moet terugbetalen.
3. Omdat eiser (onder meer) deze bedragen niet aan verweerder heeft betaald, heeft verweerder ten laste van eiser derdenbeslag gelegd onder het UWV. Op 6 augustus 2019 heeft het UWV vervolgens een bedrag van € 12.432,- overgemaakt aan verweerder. Daarmee is onder meer de te veel ontvangen zorgtoeslag over 2013 voldaan. Verweerder heeft daarbij een bedrag van € 136,- aan invorderingsrente in rekening gebracht (primair besluit I). Verder is de te veel ontvangen huurtoeslag over 2013 voldaan. Daarbij heeft verweerder een bedrag van € 211,- aan invorderingsrente in rekening gebracht (primair besluit II).
Gronden beroep
4. Eiser voert aan dat hij geen schuld had aan verweerder. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat eiser te veel toeslagen heeft ontvangen over 2013, althans niet aannemelijk gemaakt dat de terugvorderingsbedragen juist zijn. Verweerder moet daarom bewijzen dat over het jaar 2013 te veel toeslagen zijn uitbetaald.
5. Verweerder was volgens eiser niet bevoegd om beslag te leggen op eisers uitkering bij het UWV. Eiser verzoekt de rechtbank daarom om verweerder te bevelen een bedrag van
€ 2.617,- terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.
Standpunt verweerder
6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de invorderingsrente terecht in rekening is gebracht, nu de te veel ontvangen zorgtoeslag en zorgtoeslag over 2013 te laat zijn terugbetaald en daarom de invorderingsrente op grond van artikel 29 van Pro de Awir en artikel 28 en Pro 29 van de Invorderingswet 1990 verschuldigd is.
Beoordeling rechtbank
7. De rechtbank begrijpt dat eiser met zijn beroepsgrond ook beroep wenst aan te tekenen tegen de in rekening gebrachte invorderingsrente over het verschuldigde bedrag aan zorg- en huurtoeslag over 2013. Het onderhavige beroep kan ook alleen daarover gaan. De vaststelling van de zorgtoeslag en huurtoeslag over 2013 is in deze zaak niet aan de orde. Het betreffende besluit van12 februari 2016 is in dit beroep geen onderwerp van geschil. Ook kan de rechtbank in deze zaak niet beoordelen of verweerder bevoegd was om beslag te leggen bij het UWV.
8. De rechtbank stelt vast dat hij bevoegd is om over deze zaken te oordelen. De zaken hebben betrekking op de invorderingsrente. In artikel 29 van Pro de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) is geregeld dat bij overschrijding van de betalingstermijn rente is verschuldigd met overeenkomstige toepassing van de artikelen 28 en 29 van de Invorderingswet 1990. In artikel 28 en Pro 29 van de Invorderingswet 1990 is geen bijzondere rechtsgang neergelegd, zodat de bestuursrechter (en niet de belastingrechter) bevoegd is om deze zaken te behandelen.
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de invorderingsrente terecht in rekening heeft gebracht. Omdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 17 oktober 2018 [1] definitief heeft geoordeeld dat de huur- en zorgtoeslag bij het besluit van 2 februari 2016 correct zijn vastgesteld, staat het in rechte vast dat eiser voor het jaar 2013 te veel huur- en zorgtoeslag heeft ontvangen en dat verweerder de teveel ontvangen bedragen terecht heeft teruggevorderd. Niet gebleken is dat eiser de te veel ontvangen bedragen tijdig aan verweerder heeft terugbetaald.
10. Uit artikel 27, 28 en 29 van de Awir volgt rechtstreeks dat eiser in de hiervoor omschreven situatie gehouden was de invorderingsrente te betalen. Verweerder heeft de invorderingsrente daarom terecht in rekening gebracht.
De beroepen UTR 20/534, UTR 20/536 en UTR 20/538
11. Eiser heeft ook beroep ingesteld tegen de door verweerder in rekening gebrachte aanmaningskosten en dwangbevelkosten inzake de zorgtoeslag voor 2013, en de in rekening gebrachte aanmaningskosten, dwangbevelkosten en explootkosten inzake de huurtoeslag 2013. Deze beroepen zijn geregistreerd onder de nummers UTR 20/534, UTR 20/536 en UTR 20/538. Omdat het hier gaat om kosten voor het treffen van invorderingsmaatregelen, is niet deze rechtbank, maar de belastingrechter bevoegd om over deze beroepen te oordelen. Dat volgt uit artikel 34, tweede lid, van de Awir, waarin is bepaald dat de Kostenwet invordering rijksbelastingen (Kostenwet) van overeenkomstige toepassing is. Uit artikel 7, eerste lid, van de Kostenwet volgt dat op bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie tegen de in rekening gebrachte kosten van vervolging Hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing is. Hieruit volgt dat beroep tegen de in rekening gebrachte kosten moet worden ingesteld bij de belastingrechter bij de rechtbank. Ter verduidelijking wijst de rechtbank op rechtsoverweging 4.21 van het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 27 oktober 2020. [2]
12. De rechtbank zal de beroepen die zijn geregistreerd onder de nummers UTR 20/534, UTR 20/536 en UTR 20/538 daarom doorzenden naar de rechtbank Gelderland, team belastingrecht.
Conclusie
13. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H, Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 13 juli 2021 en zal openbaar gemaakt worden door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.