Eiseres ontving voor 2019 voorschotten voor huur- en zorgtoeslag op basis van een geschat inkomen van €16.429,-. Het definitieve jaarinkomen bleek €22.743,- te zijn, waardoor de zorgtoeslag lager werd vastgesteld en de huurtoeslag op nihil kwam te staan. Verweerder stelde terugvorderingen vast op basis van dit inkomen.
Eiseres betwistte de berekening van het inkomen, met name het buiten beschouwing laten van een tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitgaat van het jaarinkomen zoals vermeld in de BRI, aangezien de wet geen ruimte biedt om bepaalde inkomensbestanddelen buiten beschouwing te laten bij zorgtoeslag en de genoemde tegemoetkoming niet valt onder de uitzonderingen voor huurtoeslag.
Verder stelde eiseres dat de huurprijs onjuist was vastgesteld vanwege servicekosten, maar dit werd verworpen omdat het besluit gebaseerd was op het definitieve inkomen. Eiseres voerde ook aan dat terugvordering tot financiële problemen zou leiden, maar de rechtbank volgde verweerder dat er geen bijzondere omstandigheden waren om van terugvordering af te zien. De mogelijkheid tot een betalingsregeling werd gewezen.
Ten slotte werd een eerdere bezwaarprocedure over 2017 en 2018 buiten beschouwing gelaten omdat die jaren niet binnen het beroep vielen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde verweerder tot vergoeding van het betaalde griffierecht aan eiseres.