ECLI:NL:RBMNE:2021:4074

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 juni 2021
Publicatiedatum
25 augustus 2021
Zaaknummer
20/462-V
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens te late indiening ongegrond verklaard

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland op 23 oktober 2020 het beroep van opposant niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep tegen het besluit van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (BGHU) van 2 oktober 2019 te laat was ingediend.

Opposant is tegen deze niet-ontvankelijkverklaring in verzet gegaan, zonder daarbij een zitting te verzoeken. De rechtbank heeft vervolgens moeten beoordelen of zij terecht had geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst van de zaak bestond en dat een zitting daarom niet nodig was.

De rechtbank stelde vast dat het bezwaar abusievelijk gegrond was verklaard door verweerder, wat verband hield met het invoeren van een verkeerde besliscode. Dit is gecorrigeerd door een nieuw besluit waarin het bezwaar ongegrond werd verklaard en de waardebeschikking werd gehandhaafd. Dit tweede besluit was geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro dat vernietiging kon rechtvaardigen.

De rechtbank concludeerde dat het verzet ongegrond was en dat de eerdere uitspraak van 23 oktober 2020 in stand bleef. Omdat opposant geen gelijk kreeg, werd ook geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/462-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2021 op het verzet van

[opposant] , te [woonplaats] , opposant,

(gemachtigde: G. Gieben).

Procesverloop

In de uitspraak van 23 oktober 2020 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 23 oktober 2020 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna:BGHU) van
2 oktober 2019 te laat is ingediend.
Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 23 oktober 2020 niet juist was.
3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 23 oktober 2020 niet juist omdat de rechtbank de tweede uitspraak op bezwaar had moeten vernietigen. Opposant verwijst naar een uitspraken van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch [1] van 1 december 2016, de Hoge Raad van 20 januari 2012 [2] en de rechtbank Limburg van 16 november 2018 [3] .
4. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij besluit van 2 oktober 2019 het bezwaar abusievelijk gegrond heeft verklaard en de waardebeschikking heeft vernietigd. Blijkens de stukken hield dit verband met het invoeren van een verkeerde besliscode. Verweerder heeft dit opgelost door een nieuw besluit aan eiser toe te zenden met dezelfde inhoud maar met de vermelding dat het bezwaar ongegrond is en dat de waardebeschikking wordt gehandhaafd. Dat de beslissing tot gegrondverklaring en vernietiging van de waardebeschikking een fout was, had eiser ook kunnen weten niet alleen vanwege de inhoud van het besluit, maar ook omdat dit blijkt uit de afwijzing van de proceskostenvergoeding waarin met zoveel woorden is vermeld dat het bezwaar ongegrond is. Het gaat hier om een kennelijke misslag. Verweerder heeft door het toezenden van een nieuw besluit het eerste besluit gerectificeerd. Het tweede besluit is geen besluit als bedoeld in artikel 1.3 van de Algemene wet bestuursrecht die voor vernietiging in aanmerking komt. De uitspraak van de Hoge Raad geeft aan dit oordeel steun. De overige door eiser genoemde uitspraken zijn niet vergelijkbaar aan vorengenoemde situatie.
5. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van
23 oktober 2020 in stand blijft.
6. Omdat opposant geen gelijk krijgt is er van een vergoeding van de proceskosten geen sprake.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk, griffier. De beslissing is uitgesproken op 9 juni 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

Voetnoten

2.ECLI:HR:2012:BT1516
3.ECLI:NL:RBLIM:10862