Opposant had beroep ingesteld tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, maar dit beroep werd op 28 januari 2021 niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht. Opposant ging hiertegen in verzet en stelde dat hij betalingsonmacht had aangevoerd en dat hij geen antwoord had ontvangen op een brief hierover.
De rechtbank beoordeelde in het verzet uitsluitend of het oordeel over het ontbreken van twijfel over de uitkomst en het achterwege laten van een zitting terecht was genomen, niet de inhoud van het beroep zelf. De rechtbank concludeerde dat de criteria voor betalingsonmacht duidelijk waren gecommuniceerd en dat opposant onvoldoende had onderbouwd waarom hij niet kon betalen.
Omdat opposant meer dan 90% van de maximale bijstandsuitkering verdient en niet tijdig het griffierecht betaalde, was de niet-ontvankelijkverklaring terecht. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bleef in stand. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.