ECLI:NL:RBMNE:2021:4167

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 augustus 2021
Publicatiedatum
30 augustus 2021
Zaaknummer
UTR 21/1055
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen terugvordering en aflossingscapaciteit UWV

Eiser heeft in het verleden uitkeringen ontvangen op grond van de Ziektewet en de Werkloosheidswet, die het UWV deels heeft herzien en teruggevorderd. Het UWV stelde een maandelijkse aflossing van €50 vast, waartegen eiser bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde.

Tijdens de zitting op 23 juli 2021, behandeld via beeldverbinding, heeft eiser aangevoerd dat het aflossingsbedrag te hoog is omdat zijn inkomen laag is en hij ook andere schulden heeft, waaronder bij de zorgverzekering. Hij ontvangt hulp van de voedselbank en maatschappelijke dienstverlening.

Het UWV stelde dat het netto-inkomen van eiser over de maanden september tot en met november 2020 €997 bedroeg, met een beslagvrije voet van €947, wat resulteert in een aflossingscapaciteit van €50. De rechtbank oordeelde dat het UWV de aflossingscapaciteit correct heeft berekend en dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat zijn inkomen lager is of dat de beslagvrije voet hoger moet zijn.

Hoewel de beslissing op bezwaar onjuist vermeldde dat de vorderingen alleen op grond van de Werkloosheidswet waren, terwijl ook Ziektewetvorderingen betroffen, werd dit als een kennelijke fout zonder gevolgen beoordeeld.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het aflossingsbedrag van €50 per maand aan het UWV wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/1055

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 augustus 2021 in de zaak tussen

[eiser] uit [woonplaats], eiser

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV), verweerder
(gemachtigde: mr. C.W.P. van den Berg).

Inleiding

1. Eiser heeft in het verleden uitkeringen ontvangen op grond van de Ziektewet en de Werkloosheidswet. Het UWV heeft die uitkeringen deels herzien en teruggevorderd, en boetes aan eiser opgelegd vanwege overtreding van zijn inlichtingenplicht. Het totaalbedrag van de resterende vorderingen was op 25 januari 2021 € 5.782,42.
2. In het besluit van 25 januari 2021 heeft het UWV besloten dat eiser per maand € 50,- moet afbetalen. In de beslissing op bezwaar van 22 februari 2021 heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser is in beroep gegaan tegen die beslissing op bezwaar.
3. De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

4. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot die conclusie is gekomen.
5. Eiser voert aan dat het aflossingsbedrag van € 50,- te hoog is. In het verleden hoefde hij ook steeds niets af te lossen, omdat zijn inkomen te laag was. Daarnaast is hij ook andere schulden aan het afbetalen, waaronder bij de zorgverzekering. Hij heeft geen geld meer over voor afbetalingen aan het UWV. Eiser wijst erop dat hij noodgedwongen voedsel krijgt van de voedselbank en dat hij hulp krijgt van Maatschappelijke Dienstverlening Flevoland.
6. Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiser eerder geen aflossingscapaciteit had, maar nu wel. Het inkomen van eiser over de maanden september tot en met november 2020 is beoordeeld. In die maanden was zijn netto-inkomen € 997,- per maand. De beslagvrije voet is € 947,- per maand. Dat betekent dat de aflossingscapaciteit € 50,- is.
7. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat het UWV de aflossingscapaciteit verkeerd heeft berekend. Eiser heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat zijn netto-inkomen lager is dan € 997,- per maand of dat de beslagvrije voet hoger moet worden vastgesteld dan € 947,-. Dat eiser ook andere schulden heeft, betekent nog niet dat hij zijn schuld bij het UWV niet hoeft af te lossen. De beroepsgrond slaagt niet.
8. De rechtbank wijst er ten slotte nog op dat in de beslissing op bezwaar ten onrechte alleen wordt gesproken over vorderingen op grond van de Werkloosheidswet, terwijl het totaalbedrag ook vorderingen op grond van de Ziektewet omvat. Dit is op de zitting ook bevestigd door de gemachtigde van het UWV. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een kennelijke fout, die geen gevolgen heeft voor deze beroepszaak.
9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R. in 't Veld, rechter, in aanwezigheid van M. van der Knijff, griffier. De beslissing is uitgesproken op 30 augustus 2021 en wordt openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
De rechter is niet in de gelegenheid
om deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit beroepschrift moet u indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.