ECLI:NL:RBMNE:2021:4168
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen beslissing UWV over WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Eiseres, een administratief assistent, viel per 28 mei 2018 uit wegens zwangerschaps- en bevallingsklachten en vroeg na afloop van de wachttijd een WIA-uitkering aan. Het UWV besloot op 24 november 2020 dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees het bezwaar af. Eiseres ging in beroep tegen deze beslissing.
De rechtbank behandelde het beroep op 23 juli 2021 via een beeldverbinding. Eiseres stelde dat haar lichamelijke en psychische klachten, waaronder migraine en fibromyalgie, onderschat waren en dat zij volledig arbeidsongeschikt was. Zij overhandigde een contra-expertise van een verzekeringsarts die beperkingen bevestigde, maar geen volledige arbeidsongeschiktheid aannam.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep voegde enkele beperkingen toe maar vond geen reden voor urenbeperking en betwijfelde het herstelgedrag van eiseres. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep concludeerde dat de geduide functies passend waren, ondanks de beperkingen. De rechtbank vond het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend en oordeelde dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij volledig arbeidsongeschikt was of dat de functies ongeschikt waren.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van meer dan 35% arbeidsongeschiktheid.