Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 augustus 2021 in de zaak tussen
[eiser] uit [woonplaats 1], eiser
[vergunninghouder], te [woonplaats 2], vergunninghouder.
Rechtbank Midden-Nederland
Op 7 mei 2020 heeft de vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor baggerwerkzaamheden en het verspreiden van bagger over een agrarisch perceel om het gebruik te verbeteren. De gemeente verleende op 30 juni 2020 de vergunning, waarna de eigenaar van een nabijgelegen bungalowpark bezwaar maakte vanwege geuroverlast en insectenhinder. De gemeente verklaarde het bezwaar ongegrond en de eigenaar stelde beroep in.
Tijdens de zitting op 3 juni 2021 werd duidelijk dat de belangrijkste zorg van eiser de periode van uitvoering was, om overlast voor gasten te beperken. De gemeente stelde dat de hinder tijdelijk en van korte duur zou zijn, met een uitvoeringstermijn van circa vier weken, en dat de bagger niet direct aan de openbare weg werd verspreid. Tevens was advies ingewonnen over mogelijke effecten op weidevogels, waaruit bleek dat geen mitigerende maatregelen nodig waren.
De rechtbank oordeelde dat de gemeente de belangen van eiser en andere betrokkenen voldoende had afgewogen en dat het verlenen van de vergunning redelijk was. Er was geen aanleiding om aan te nemen dat de werkzaamheden een onaanvaardbare aantasting van het perceel of de natuurwaarden zouden veroorzaken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Proceskosten werden niet toegewezen omdat het beroep ongegrond was.
De uitspraak benadrukt het beoordelingskader uit de planregels en de beleidsruimte van de gemeente bij vergunningverlening, waarbij tijdelijke hinder en belangenafweging centraal staan.
Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor baggerwerkzaamheden is ongegrond verklaard.