Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de moeder;
- de vader, bijgestaan door mr. van Gemert, waarnemend voor mr. F. Boor;
- mevrouw [A] namens de Raad.
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde een zaak over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van twee minderjarige kinderen na de scheiding van hun ouders. De ouders waren het niet eens over het hoofdverblijf en de schoolkeuze van de kinderen, wat leidde tot een procedure waarbij ook de Raad voor de Kinderbescherming betrokken was.
De ouders hadden in 2019 afgesproken dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader zou zijn, met regelmatige verblijven bij de moeder. De moeder wilde echter verhuizen en de kinderen naar een school in haar buurt laten gaan, wat de rechtbank niet toestond omdat dit de afspraken en het belang van de kinderen zou schaden.
De rechtbank oordeelde dat het hoofdverblijf bij de vader moet blijven, mede gelet op de psychologische situatie van de oudste minderjarige die moeite heeft met de conflicten tussen de ouders. De rechtbank benadrukte het belang van gezamenlijke besluitvorming door de ouders en sprak een ondertoezichtstelling uit om de samenwerking te verbeteren en de belangen van de kinderen te beschermen.
De ouderschapsovereenkomst van 28 juni 2019 werd ongewijzigd gelaten. De uitspraak werd gedaan door rechter I.L. Rijnbout op 18 augustus 2021 en is openbaar.
Uitkomst: Het hoofdverblijf van de minderjarige kinderen blijft bij de vader en de ouderschapsovereenkomst van 2019 wordt gehandhaafd.