ECLI:NL:RBMNE:2021:4189
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen last onder dwangsom en invordering wegens drugshandel op straat in Utrecht
Eiser is door verweerder een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2:45 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht, gericht op het voorkomen van drugshandel op straat. Na constatering van drugshandel en het aantreffen van drugs bij eiser en in zijn woning, werd een dwangsom van € 5.000 per overtreding opgelegd met een maximum van € 20.000. Eiser betwistte de proportionaliteit van de last en de hoogte van de dwangsom, mede gelet op zijn medische en financiële omstandigheden.
De rechtbank oordeelt dat de bestuurlijke rapportage betrouwbaar is en dat eiser drugshandel heeft gepleegd. De belangen van de openbare orde en veiligheid wegen zwaarder dan de persoonlijke omstandigheden van eiser. De opgelegde dwangsom is proportioneel en heeft een voldoende preventieve werking. Eiser heeft de last op 4 mei 2020 overtreden, waarna de dwangsom is ingevorderd. Eiser voerde aan dat invordering niet redelijk is vanwege zijn kwetsbare situatie, maar de rechtbank acht dit onvoldoende om van invordering af te zien.
De rechtbank concludeert dat verweerder bevoegd was tot handhaving en invordering, dat de opgelegde dwangsom in redelijke verhouding staat tot het doel, en dat geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die matiging rechtvaardigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom en de invordering wegens drugshandel wordt ongegrond verklaard.