Opposante heeft beroep ingesteld tegen een uitspraak van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (BGHU) inzake een te laat ingediend bezwaarschrift. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en opposante heeft hiertegen verzet ingesteld.
De rechtbank heeft in deze verzetprocedure uitsluitend beoordeeld of haar eerdere uitspraak van 6 augustus 2020 in stand kan blijven. Opposante stelde dat de BGHU niet had gevraagd naar de reden van de te late indiening, maar het dossier toonde aan dat de BGHU op 4 april 2019 een brief had gestuurd met het verzoek om opgave van de reden en een machtiging. Opposante heeft hierop gereageerd met een e-mail en machtiging.
De rechtbank concludeert dat het bezwaar terecht te laat is ingediend en dat het verzet ongegrond is. Daarnaast heeft opposante een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn gevorderd. De rechtbank overweegt dat vanwege de coronapandemie de redelijke termijn met vier maanden wordt verlengd, waardoor de totale termijn van 28 maanden niet leidt tot een overschrijding.
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond en bevestigt de eerdere uitspraak. De beslissing is genomen door rechter B. Fijnheer en griffier P.W. Hogenbirk op 27 juli 2021.