AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit weigering herbeoordeling WAO-uitkering wegens strijd met de wet
Eiser heeft na een bedrijfsongeval sinds 2003 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%. In 2019 en opnieuw in januari 2020 verzocht eiser om herbeoordeling van zijn uitkering vanwege verslechterde gezondheid, waaronder een sterk verminderde hartfunctie en doorgemaakte TIA. Verweerder (UWV) nam het laatste verzoek niet in behandeling en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank oordeelt dat verweerder niet bevoegd was het verzoek niet in behandeling te nemen, omdat het geen situatie betrof waarin artikel 4:5 AwbPro dit toestaat. De nieuwe medische informatie diende wel te worden betrokken bij de beoordeling. Het bestreden besluit wordt daarom vernietigd.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser en het betaalde griffierecht. Verweerder krijgt zes weken de tijd om een nieuw besluit te nemen, waarbij de uitspraak in acht wordt genomen. De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien, omdat verweerder nog niet gehoord is over het gebruik van zijn bevoegdheid.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder krijgt zes weken de tijd voor een nieuw besluit.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/2635
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: B.B.A. Willering),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder .
Procesverloop
Bij besluit van 28 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser meegedeeld zijn verzoek om een herbeoordeling van zijn WAO-uitkering niet in behandeling te nemen.
Bij besluit van 9 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift
ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via Skype op 23 november 2020. Eiser was daarbij aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is met berichtgeving niet verschenen.
Overwegingen
1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.
Na een bedrijfsongeval is aan eiser met ingang van 18 februari 2003 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Eiser vraagt verweerder bij brief van 5 februari 2019 om een herbeoordeling van zijn WAO-aanspraken in verband met een verslechtering van zijn gezondheid. Bij besluit van 7 juni 2019 deelt verweerder aan eiser mee dat zijn arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35% blijft. Op 24 januari 2020 verzoekt eiser verweerder nogmaals zijn WAO-uitkering opnieuw te beoordelen. Verweerder neemt hierop het besluit van 28 januari 2020. Het verzoek van eiser wordt niet in behandeling genomen.
2. Het bestreden besluit gaat over verweerders weigering het laatstgenoemde besluit te herroepen.
3. Eiser voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn sterk verminderde hartfunctie en de door hem doorgemaakte TIA. Eiser begrijpt niet hoe verweerder zich op het standpunt kan stellen dat hij hiermee de geduide functies kan vervullen. Volgens eiser dient verweerder deze nieuwe informatie in zijn beoordeling van het verzoek te betrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en daarin aangegeven dat er bij eiser sprake is van niet-verzekerde klachten, die daarom niet tot een verhoging van zijn arbeidsongeschiktheidsklasse kunnen leiden.
4. Artikel 4:5 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) regelt het niet in behandeling nemen van een aanvraag door een bestuursorgaan als volgt:
“1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, ofb. de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, ofc. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.2. Indien de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of bescheiden in een vreemde taal is gesteld en een vertaling daarvan voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een vertaling aan te vullen.3. Indien de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of bescheidenomvangrijk of ingewikkeld is en een samenvatting voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een samenvatting aan te vullen.4. Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.”
5. De rechtbank stelt vast dat het al eerder beoordeeld hebben van een gelijkluidende aanvraag geen situatie is als beschreven in het eerste lid van artikel 4:5 AwbPro. Verweerder was dus niet bevoegd de aanvraag van eiser niet in behandeling te nemen en het bestreden besluit dient daarom te worden vernietigd wegens strijd met de wet. Het beroep is gegrond en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,-, met een wegingsfactor 1). Het door eiser betaalde griffierecht van € 48,- dient bovendien ook door verweerder te worden vergoed.
6. De rechtbank ziet ten slotte geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien, aangezien het hier gaat over het al dan niet gebruiken van een bevoegdheid door verweerder, waar verzoeker in bezwaar ook nog niet over gehoord is. Het ligt dan niet op de weg van de rechtbank om verweerders tekortschietende besluitvorming in beroep te herstellen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
Beslissing
De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1068,-.
Deze uitspraak is gedaan door R. in ’t Veld, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Belhadi, griffier. De beslissing is in het uitgesproken op 2 februari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.