ECLI:NL:RBMNE:2021:4247

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 juni 2021
Publicatiedatum
1 september 2021
Zaaknummer
20/4551
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:88 AwbArt. 17 AVGArt. 18 AVGArt. 21 AVG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen verwerking persoonsgegevens en verwijderingsverzoek op grond van AVG

Eiseres heeft verweerder verzocht om het melden van een datalek, het staken van onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens en het verwijderen van persoonsgegevens die via e-mails waren verspreid. Verweerder heeft deze verzoeken afgewezen omdat het betrof een eenmalige verzending van een e-mail en geen doorlopende verwerking, waardoor het recht van bezwaar en beperking niet van toepassing is.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het verzoek tot verwijdering van persoonsgegevens zich alleen kan richten tot de verwerkingsverantwoordelijke zelf en niet tot derden die de e-mails ontvingen. Eiseres heeft erkend dat de onrechtmatigheid van de e-mail van 6 maart 2020 niet in geschil is en richt zich alleen op de e-mail van 20 december 2019.

De rechtbank oordeelt dat verweerder de verzoeken terecht heeft afgewezen en dat eiseres onvoldoende heeft onderbouwd dat zij schade heeft geleden. Omdat er geen verzoek is gedaan om een oordeel over onrechtmatigheid te geven, komt de rechtbank daar niet aan toe. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiseres wordt geadviseerd een civiele procedure te starten voor verdere schadevorderingen.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de verzoeken op grond van de AVG worden terecht afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/4551

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2021 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., te [plaats] , eiseres

(gemachtigden: mr. C.N. van der Sluis en mr. C.S. d’Hulst),
en

het Bureau Financieel Toezicht, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Gillhaus).

Procesverloop

In het besluit van 12 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder geantwoord op een verzoek van eiseres van 29 juli 2020.
In het besluit van 2 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gegrond verklaard omdat het primaire besluit ten onrechte niet als besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is aangemerkt. Verweerder heeft in het bestreden besluit het primaire besluit herroepen en beslist dat het recht van bezwaar tegen de verwerking van persoonsgegevens en de beperking daarvan niet kan worden ingeroepen. Verder heeft verweerder het verzoek om verwijdering van persoonsgegevens afgewezen.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2021. Namens eiseres is verschenen [A] . Hij is bijgestaan door de gemachtigden van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door mr. Y.H.M. de Groot en mr. E.B. Kruimel.

Overwegingen

Inleiding
1. De directeur van verweerder heeft bij e-mails van 20 december 2019 en 6 maart 2020 informatie over een tegen eiseres ingediende tuchtklacht gedeeld met medewerkers van het ministerie van Justitie en Veiligheid (het ministerie) en met een journalist van Het Financieele Dagblad. Dit was voor eiseres aanleiding om verweerder op 29 juli 2020 te verzoeken het datalek te melden bij de Autoriteit Persoonsgegevens en deze gestelde onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens te staken en gestaakt te houden. Ook heeft eiseres verweerder verzocht om de medewerkers van het ministerie en de journalist van Het Financieele Dagblad, aan wie emails zijn verstuurd, op te dragen de persoonsgegevens te verwijderen en partijen waarmee de informatie (verder) is gedeeld ook daartoe te verplichten. Verder heeft eiseres verweerder aansprakelijk gesteld voor de schade. Zoals hiervoor omschreven onder het kopje ‘procesverloop’ heeft dat verzoek uiteindelijk geleid tot het bestreden besluit.
Het bestreden besluit
2. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het verzoek van 29 juli 2020 moet worden aangemerkt als een verzoek om verwijdering van persoonsgegevens zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), een verzoek om beperking van de verwerking van persoonsgegevens zoals bedoeld in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de AVG en als een bezwaar tegen de verwerking van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de AVG. Volgens verweerder is het recht van bezwaar echter niet van toepassing. Daarom kan ook geen beroep worden gedaan op beperking van de verwerking van persoonsgegevens. Verder kan het verzoek tot verwijdering alleen betrekking hebben op persoonsgegevens die verweerder in zijn eigen systemen verwerkt. Voor zover eiseres wil bewerkstelligen dat de ontvangers van de e-mails deze verwijderen moet eiseres haar verwijderingsverzoek dus tot hen richten, aldus verweerder.
Beoordeling rechtbank
3. Verweerder heeft erkend dat de verzending van de e-mail van 6 maart 2020 aan de journalist van Het Financieele Dagblad onrechtmatig is en eiseres heeft ter zitting bevestigd dat het beroep zich niet richt tegen de verwerking van de in die e-mail verstrekte persoonsgegevens. In beroep is dus uitsluitend de verwerking van de in de e-mail van 20 december 2019 verstrekte persoonsgegevens aan de orde en het verzoek om verwijdering van de persoonsgegevens bij derde ontvangers.
4. Eiseres wil met deze procedure bereiken dat vast komt te staan dat verweerder in strijd met de AVG – en daarmee onrechtmatig – heeft gehandeld door de e-mail van 20 december 2019 te verzenden. Eiseres heeft gesteld dat zij schade heeft geleden doordat verweerder deze e-mail aan de medewerkers van het ministerie heeft verstuurd. Zij heeft echter niet om schadevergoeding verzocht en ook niet onderbouwd waaruit de schade bestaat. Tijdens de zitting heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat zij dat in een aparte procedure wil gaan doen. De enkele stelling dat zij schade heeft geleden is voldoende om de vraag over de rechtmatigheid van de gegevensverwerking voor te leggen aan de bestuursrechter, aldus eiseres.
5. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of zij in dit geval als bestuursrechter een oordeel kan geven over de rechtmatigheid van de verzending van de e-mail van 20 december 2019 en de daarbij verwerkte persoonsgegevens.
6. Vaststaat dat verweerder deze verwerking van persoonsgegevens niet meer kan staken. Het gaat hier immers om de eenmalige verzending van een e-mail en niet om een verwerking die nog voortduurt. Op deze situatie ziet het recht van bezwaar (artikel 21 van Pro de AVG) niet. Dat richt zich op het staken van een doorlopende verwerking. Omdat eiseres het recht op beperking van de verwerking (artikel 18 van Pro de AVG) inroept in afwachting van het antwoord op een tevergeefs ingeroepen recht op bezwaar, komt haar dat beperkingsrecht evenmin toe.
7. Ook het verzoek van eiseres tot uitoefening van het recht tot verwijdering (lees: wissing) van persoonsgegevens bij de derde ontvangers op het ministerie is in dit geval niet aan te merken als een verzoek als bedoeld in artikel 17 van Pro de AVG. Dat artikel heeft betrekking op persoonsgegevens die worden verwerkt bij de verwerkingsverantwoordelijke, bij verweerder zelf dus, en op de vraag of bij hem tot wissing van deze gegevens moet worden overgegaan. Niet in geschil is echter dat verweerder bevoegd is om de persoonsgegevens van eiseres - in zijn eigen informatiesystemen - te verwerken. Het verzoek van eiseres heeft daarop echter geen betrekking.
8. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de drie verzoeken van eiseres, te weten om uitoefening van het recht op bezwaar, van het recht op beperking van de verwerking en van het recht op gegevenswissing, terecht afgewezen.
9. Wat de stelling van eiseres betreft dat zij door de feitelijke verwerking schade heeft geleden, stelt de rechtbank vast dat zij die stelling niet heeft onderbouwd en dat zij geen daartoe strekkend verzoek, als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Awb, heeft gedaan. Omdat zo’n verzoek ontbreekt, komt de rechtbank er niet aan toe om met toepassing van dat artikel een oordeel te geven over de onrechtmatigheid van de verwerking van de gegevens waarop het bestreden besluit ten aanzien van voormelde drie verzoeken betrekking heeft.
10. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank evenmin toekomt aan de bespreking van de overige beroepsgronden die eiseres heeft aangevoerd.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Als eiseres de onrechtmatigheid van de verzending van de email van 20 december 2019 in een procedure aan de orde wil stellen, moet zij een civiele procedure starten.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, voorzitter, mr. B. Fijnheer en mr. O. Veldman, leden, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 30 juni 2021 en zal openbaar gemaakt worden door publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.