In deze bestuursrechtelijke zaak staat de WOZ-waarde van een woning centraal. De gemeente heeft de waarde van de woning vastgesteld op €214.000,- voor het belastingjaar 2020. Eiser betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van €198.000,- voor. De rechtbank beoordeelt de onderbouwing van de gemeente, die een taxatiematrix en vergelijkingsmethode hanteert met drie referentiewoningen.
De rechtbank oordeelt dat de gemeente aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. De gemeente heeft de waarde aangepast door de serre niet als aanbouw mee te rekenen, maar compenseert dit met de aanwezigheid van 22 zonnepanelen en een afdak/luifel. Eiser betwist het aantal zonnepanelen, maar de rechtbank volgt de gemeente in haar waardering.
Verder zijn de gebruikte referentiewoningen goed vergelijkbaar qua ligging, bouwjaar en grootte. De door eiser aangevoerde gebreken zoals lekkages zijn onvoldoende onderbouwd om de waarde te drukken. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de woningen niet identiek zijn en verschillen in voorzieningen vertonen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Eiser kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.