Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2021 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster(gemachtigde: mr. D.A.A.M. Mijland),
(gemachtigde: F.A.M. Delfgaauw).
Rechtbank Midden-Nederland
Eiseres had bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder om haar WW-uitkering niet uit te betalen wegens vermeende verwijtbare werkloosheid. Verweerder verklaarde het bezwaar aanvankelijk ongegrond, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank Midden-Nederland.
Tijdens de procedure heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan en verweerder heeft vervolgens het bezwaar alsnog gegrond verklaard en de uitbetaling van de WW-uitkering per 13 december 2019 toegezegd. Naar aanleiding hiervan trok eiseres het beroep in en verzocht de rechtbank verweerder te veroordelen in de proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aan het beroep van eiseres tegemoet was gekomen en wees het verzoek tot proceskostenveroordeling toe. De proceskosten werden vastgesteld op €1.068,-, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tevens wees de rechtbank op de verplichting van verweerder om het betaalde griffierecht van €48,- te vergoeden.
De uitspraak werd gedaan door rechter R.C. Stijnen en griffier J.P. Brand op 2 februari 2021, zonder dat een zitting plaatsvond.
Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres ad €1.068,- en het griffierecht van €48,-.