ECLI:NL:RBMNE:2021:4280
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde van tussenwoning in Utrecht
Eiseres maakte bezwaar tegen de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde van haar tussenwoning aan een adres in Utrecht, vastgesteld op €244.000,- voor het belastingjaar 2020 met peildatum 1 januari 2019. De gemeente handhaafde deze waarde en wees het bezwaar af. Eiseres stelde beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank behandelde de zaak op 20 mei 2021 via een Skype-verbinding waarbij eiseres en de gemachtigde van verweerder aanwezig waren. Verweerder overlegde een taxatiematrix opgesteld door een taxateur, waarin de waarde van de woning werd bepaald aan de hand van drie vergelijkbare woningen in dezelfde wijk. Hierbij werd rekening gehouden met verschillen in gebruiksoppervlakte, kaveloppervlakte en voorzieningen.
Eiseres voerde aan dat de waardestijging van haar woning hoger was dan die van vergelijkbare woningen in de buurt, terwijl de aanwezigheid van een schuur op haar perceel dit verschil niet zou moeten verklaren. De rechtbank oordeelde dat de WOZ-waarde jaarlijks opnieuw wordt vastgesteld op basis van actuele verkoopcijfers en dat een vergelijking met WOZ-waarden van andere woningen niet geschikt is om de waarde te bepalen.
De rechtbank concludeerde dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog is en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €244.000,- wordt ongegrond verklaard.