ECLI:NL:RBMNE:2021:4423

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 september 2021
Publicatiedatum
13 september 2021
Zaaknummer
21/2727
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbAlgemene Verordening Gegevensbescherming
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake gebruik persoonsgegeven functienaam

Verzoeker, voormalig werknemer van verweerder tot 2010, verzocht op 22 april 2021 om te stoppen met het gebruik van een persoonsgegeven dat zijn functienaam betreft. Verweerder wees dit verzoek op 10 juni 2021 af. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg vervolgens de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter beoordeelde of er sprake was van onverwijlde spoed en een spoedeisend belang. Verzoeker stelde dat het gebruik van het persoonsgegeven reputatieschade veroorzaakt en relevant is voor lopende juridische procedures. De voorzieningenrechter vond deze onderbouwing onvoldoende concreet en onvoldoende om een voorlopige voorziening te rechtvaardigen.

Daarnaast onderzocht de voorzieningenrechter of het besluit evident onrechtmatig was, wat inhoudt dat zonder diepgaand onderzoek het standpunt van verweerder zeer ernstig betwijfeld moet kunnen worden. Dit was niet het geval, omdat uit het primaire besluit bleek dat de functienaam correct was toegewezen conform onherroepelijke rechtspraak.

De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen spoedeisend belang was en dat het verzoek om voorlopige voorziening daarom moest worden afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang en het ontbreken van evident onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/2727

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 september 2021 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [plaats] , verzoeker

en

[verweerder] , verweerder(gemachtigde: mr. R. van Mansfeld).

Procesverloop

In het besluit van 10 juni 2021 (primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van verzoeker van 22 april 2021 op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) afgewezen.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Verzoeker is tot 2010 werkzaam geweest bij de [verweerder] . Hij heeft bezwaar tegen het gebruik van een persoonsgegeven door verweerder. Het persoonsgegeven waar het om gaat is aanduiding van verzoekers functie. Verweerder is van mening dat de functie van verzoeker viel onder het organisatieonderdeel ‘Functional Materials’. Verzoeker is het daar niet mee eens en heeft verweerder op 22 april 2021 verzocht om te stoppen met het gebruik van het persoonsgegeven. Verweerder heeft dat verzoek afgewezen.
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Verzoeker heeft desgevraagd onderbouwd waarom hij spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek. Het spoedeisend belang bestaat er volgens verzoeker uit dat de verwerking van het persoonsgegeven leidt tot reputatieschade. Daarnaast stelt verzoeker spoedeisend belang te hebben bij een voorlopige voorziening in verband met lopende juridische procedures waarbij zijn organisatorische indeling een belangrijke rol speelt.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker het spoedeisend belang bij de door hem gevraagde voorlopige voorziening onvoldoende heeft aangetoond. De enkele stelling dat verzoeker het gebruik van het persoonsgegeven moet staken omdat het leidt tot reputatieschade en omdat de organisatorische indeling een belangrijke rol speelt in juridische procedures, is onvoldoende om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft niet onderbouwd wat de consequenties zijn van de verwerking van het bedoelde persoonsgegeven en waarom de beslissing op het bezwaar niet kan worden afgewacht.
5. De door verzoeker gevraagde voorziening kan alleen nog worden getroffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarfase in stand zal blijven. Daarvan is hier geen sprake. De reden daarvoor is de volgende. Uit het primaire besluit blijkt dat blijkens onherroepelijke rechtspraak de aanduiding van het organisatieonderdeel waaronder zijn functie viel, correct is. Zolang die aanduiding niet onrechtmatig is bevonden door een rechter, valt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet in te zien dat de verwerking van dat persoonsgegeven in lopende juridische procedures onrechtmatig is.
6. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 8 september 2021 en zal openbaar gemaakt worden door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.