ECLI:NL:RBMNE:2021:4425

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 september 2021
Publicatiedatum
13 september 2021
Zaaknummer
UTR 21/646
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:31 AwbArt. 8:42 AwbWet waardering onroerende zakenBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen WOZ-waarde woning gegrond wegens informatieachterstand en verlaging waarde

In deze bestuursrechtelijke zaak betreft het een geschil over de vaststelling van de WOZ-waarde van een woning gelegen aan een adres in de gemeente. Verweerder stelde de waarde voor het belastingjaar 2020 vast op € 481.000,-, welke eiser betwistte en een lagere waarde van € 444.000,- voorstelde. De rechtbank oordeelt dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn verplichting om de gebruikte grondstaffel, die ten grondslag ligt aan de waardebepaling, te overleggen. Hierdoor ontstond een informatieachterstand ten nadele van eiser, die onvoldoende gelegenheid had om de juistheid van de waardering te controleren en te betwisten.

De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en stelt de WOZ-waarde vast op € 476.000,-, waarmee zij de ontstane informatieachterstand compenseert. Beide partijen hadden onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hun voorgestelde waardes correct waren. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot het vergoeden van het door eiser betaalde griffierecht en de proceskosten van € 1.598,-.

De uitspraak is gedaan door rechter S.G.M. van Veen en griffier E. Kersten op 13 september 2021 te Utrecht. Verweerder wordt opgedragen de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig te verlagen. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de WOZ-waarde wordt verlaagd naar € 476.000,- en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/646

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 september 2021 in de zaak tussen

[eiser] uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: G. Gieben)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder

(gemachtigde: M. Dens).

Procesverloop

In de beschikking van 31 januari 2020 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de [adres] (de woning) voor het belastingjaar 2020 vastgesteld op € 481.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2019. Verweerder heeft bij deze beschikking aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelastingen opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
In de uitspraak op bezwaar van 29 december 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift en een taxatiematrix ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 15 juni 2021, via een skypeverbinding. Eiser is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van den Dool, de waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [naam] , taxateur.

Overwegingen

1. De woning is een in 1997 gebouwde vrijstaande bungalow met een aanbouw, garage en zonnepanelen. De woning heeft een oppervlakte van ongeveer 207 m2 en ligt op een kavel van 707 m2.
2. De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald.
3. Eiser bepleit een lagere waarde, namelijk € 444.000,-. Verweerder handhaaft de vastgestelde waarde en heeft om die te onderbouwen een taxatiematrix overgelegd.
4. Verweerder heeft de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiser ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd meewegen.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Verweerder heeft bij het verweerschrift een grondstaffel meegestuurd. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder echter toegelicht dat de grondstaffel die zich in het dossier bevindt, niet de grondstaffel is die verweerder heeft gebruikt voor de bepaling van de waarde van de grond in de beroepsfase. Verweerder heeft voor deze waardering een andere grondstaffel gebruikt, die niet door verweerder is ingediend. Eiser heeft vervolgens naar het oordeel van de rechtbank ter zitting terecht aangevoerd dat verweerder op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehouden was om deze grondstaffel aan de rechtbank te sturen omdat het hier gaat om op de zaak van eiser betrekking hebbende stukken. Nu verweerder dit heeft nagelaten, is er sprake van een informatieachterstand. Eiser is dus onvoldoende in de gelegenheid geweest om de juistheid van de gegevens die ten grondslag liggen aan de grondwaarde te controleren en te betwisten. [1]
6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar op grond van artikel 8:31 van Pro de Awb.
7. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of eiser de door hem voorgestane waarde aannemelijk maakt. Eiser heeft aangevoerd dat de referentiewoning [adres] een lagere waarde onderbouwt voor de woning. Eiser heeft verder verwezen naar het verkoopcijfer van de woning [adres] . De rechtbank stelt vast dat een herleiding van de waarde van de woning uit de verkoopcijfers van de door eisers genoemde woningen ontbreekt. Uit de enkele verkoopcijfers van deze woningen kan dan ook niet worden afgeleid dat verweerder de waarde te hoog heeft vastgesteld.
8. Partijen hebben de waardes die zij voorstaan beide niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank ziet aanleiding om de in de beroepsfase ontstane informatieachterstand te compenseren door de waarde van de woning te verlagen. De rechtbank stelt de waarde vast op € 476.000,-. De rechtbank zal verder bepalen dat verweerder de aanslag onroerendezaakbelastingen dienovereenkomstig vermindert.
9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.598,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 265,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 534,-, met wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • stelt de waarde van het object vast op € 476.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2019 en bepaalt dat de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig wordt verlaagd;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.598,-;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier. De beslissing is uitgesproken op 13 september 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
de rechter is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 5 juli 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2890.