In deze bestuursrechtelijke zaak betreft het een geschil over de vaststelling van de WOZ-waarde van een woning gelegen aan een adres in de gemeente. Verweerder stelde de waarde voor het belastingjaar 2020 vast op € 481.000,-, welke eiser betwistte en een lagere waarde van € 444.000,- voorstelde. De rechtbank oordeelt dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn verplichting om de gebruikte grondstaffel, die ten grondslag ligt aan de waardebepaling, te overleggen. Hierdoor ontstond een informatieachterstand ten nadele van eiser, die onvoldoende gelegenheid had om de juistheid van de waardering te controleren en te betwisten.
De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en stelt de WOZ-waarde vast op € 476.000,-, waarmee zij de ontstane informatieachterstand compenseert. Beide partijen hadden onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hun voorgestelde waardes correct waren. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot het vergoeden van het door eiser betaalde griffierecht en de proceskosten van € 1.598,-.
De uitspraak is gedaan door rechter S.G.M. van Veen en griffier E. Kersten op 13 september 2021 te Utrecht. Verweerder wordt opgedragen de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig te verlagen. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.