ECLI:NL:RBMNE:2021:4500
Rechtbank Midden-Nederland
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot wraking kinderrechters rechtbank Midden-Nederland ongegrond verklaard
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen alle kinderrechters van de rechtbank Midden-Nederland en specifiek tegen de behandelend kinderrechter in twee zaken. Hij stelde dat hij geen eerlijk proces meer kon krijgen vanwege vermeende vooringenomenheid en boosheid van de rechter jegens hem.
De wrakingskamer oordeelde dat een wrakingsgrond moet zijn gebaseerd op feiten of omstandigheden die de persoon van de rechter betreffen. Een algemeen gebrek aan onafhankelijkheid van alle kinderrechters vormt geen geldige grond voor wraking, waardoor verzoeker niet-ontvankelijk werd verklaard voor dat deel van het verzoek.
Ten aanzien van de individuele rechter stelde verzoeker dat deze boosheid jegens hem had getoond en een eerdere beslissing niet wilde herzien. De wrakingskamer vond dat boosheid alleen geen wrakingsgrond vormt zonder bijkomende feiten die een schijn van vooringenomenheid wekken. Ook het ontbreken van een vermelding van de boosheid in het proces-verbaal en het niet willen herzien van een beslissing, die voorbehouden is aan hoger beroep, waren geen gronden voor wraking.
De wrakingskamer concludeerde dat er geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestond en verklaarde het wrakingsverzoek ongegrond. De procedures van verzoeker worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden ten tijde van de schorsing wegens het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard voor wraking van alle kinderrechters en het wrakingsverzoek tegen de individuele kinderrechter wordt ongegrond verklaard.