ECLI:NL:RBMNE:2021:4526

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
31 augustus 2021
Publicatiedatum
20 september 2021
Zaaknummer
UTR 21/2821
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens voortzetting Wob-verzoek door ander dan oorspronkelijke verzoeker

Stichting een Dier een Vriend heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op een Wob-verzoek. De rechtbank had eerder bepaald dat de minister binnen acht weken moest beslissen en een dwangsom moest betalen bij overschrijding.

De minister erkende de overschrijding en gaf aan dat dit te wijten was aan capaciteitsproblemen en prioritering binnen de NVWA. Tevens stelde de minister dat het beroep niet-ontvankelijk zou zijn omdat het verzoek was voortgezet door een ander dan de oorspronkelijke verzoeker, die inmiddels was overleden.

De rechtbank verwierp dit standpunt omdat het verzoek namens de stichting was ingediend en er een machtiging was die dit bevestigde. De rechtbank oordeelde echter dat het beroep niet-ontvankelijk was omdat de dwangsomperiode nog niet was verstreken op het moment van indiening, waardoor de prikkel voor een besluit nog aanwezig was.

De rechtbank wees het beroep af zonder proceskostenveroordeling en maakte de uitspraak openbaar. De rechter was verhinderd de uitspraak te tekenen.

Uitkomst: Het beroep van Stichting een Dier een Vriend wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet verstreken zijn van de dwangsomperiode bij indiening.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/2821

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 augustus 2021 in de zaak tussen

Stichting een Dier een Vriend, te Den Haag , eiseres

(gemachtigde: mr. H. van Drunen),
en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend na de uitspraak van deze rechtbank van 25 januari 2021 (UTR 20/3893). In die uitspraak staat dat verweerder binnen acht weken moet beslissen op de aanvraag van eiseres. Daarbij is bepaald dat verweerder aan eiseres een dwangsom moet betalen van € 100,- voor elke dag waarmee hij de genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Eiseres stelt nu beroep in omdat verweerder niet binnen de termijn een beslissing heeft genomen.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan.
3. Volgens verweerder is de beslistermijn inderdaad overschreden. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat de oorzaak van het niet tijdig beslissen op het verzoek van eiseres is gelegen in de achterstanden van de behandeling van andere, omvangrijke verzoeken, de grote hoeveelheid ingediende Wob-verzoeken bij de NVWA, capaciteitsproblemen binnen de NVWA en de benodigde prioritering ten aanzien van de behandeling van al deze verzoeken.
4. In het verweerschrift van 28 juli 2021 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het beroep van eiseres niet ontvankelijk is. Verweerder verwijst hiervoor naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 juli 2021 (AWB 21/2894). Volgens verweerder moet ervan worden uitgegaan dat het Wob-verzoek is ingediend door de voorzitter van eiseres, die inmiddels is overleden. Het is volgens verweerder niet mogelijk is om dit verzoek door een ander te laten voortzetten.
5. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat het beroep van eiseres niet- ontvankelijk is op de grond dat het is voortgezet door een ander dan de oorspronkelijke -inmiddels overleden - verzoeker. Anders dan de situatie in de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 juli 2021 is het Wob-verzoek in deze zaak namens eiser ingediend. Daarnaast is er ook een machtiging waaruit blijkt dat de verzoeker het Wob-verzoek namens de stichting (eiseres) heeft ingediend. Uit de eerdere uitspraak van deze rechtbank van 25 januari 2021 (UTR 20/3893) volgt bovendien dat de het beroep namens eiseres is ingediend, zodat daar naar het oordeel van de rechtbank thans geen twijfel over bestaat.
6. De rechtbank overweegt verder als volgt. Zoals uit het procesverloop volgt heeft de rechtbank verweerder in de uitspraak van 25 januari 2021 opgedragen om binnen acht weken na verzending van de uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken. De uitspraak is op 2 februari 2021 verzonden naar partijen. Verweerder had daarom uiterlijk voor 31 maart 2021 moeten beslissen en op die datum is de rechterlijke dwangsom gaan lopen. Het maximum van de dwangsom is in de uitspraak bepaald op € 15.000,-. Dit betekent dat over een periode van 150 dagen vanaf 31 maart 2021 de dwangsomperiode is volgelopen op 29 augustus 2021. Op 2 juli 2021, de datum dat het onderhavige beroep van eiseres is ontvangen door de rechtbank, was de dwangsomperiode dus nog niet verstreken. De prikkel om een besluit te nemen was ten tijde van de indiening van het onderhavige beroep dus nog steeds aanwezig. Daarom zal de rechtbank dit beroep om die reden niet-ontvankelijk verklaren.
7. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van J. Fagel, griffier. De beslissing is uitgesproken op 31 augustus 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
De rechter is
verhinderd de
uitspraak te
tekenen.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.