Opposant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de heffingsambtenaar van 7 juni 2019, waarbij zijn bezwaarschrift niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank had het beroep op 29 mei 2020 ongegrond verklaard zonder zitting, omdat zij geen twijfel over de uitkomst zag. Opposant ging hiertegen in verzet.
De rechtbank oordeelt dat opposant niet tijdig de stukken heeft ontvangen door problemen bij het postbedrijf, waardoor hij niet over de benodigde informatie beschikte om zijn verweer te voeren. Hierdoor had de rechtbank de zaak niet zonder zitting mogen afdoen. Het verzet is daarom gegrond en de eerdere uitspraak vervalt.
Inhoudelijk oordeelt de rechtbank dat de termijn die aan opposant werd gesteld om het bezwaarschrift te ondertekenen en een machtiging te overleggen onredelijk kort was en dat hij niet tijdig was gewezen op de mogelijke niet-ontvankelijkverklaring. Dit leidt tot vernietiging van het bestreden besluit.
De heffingsambtenaar wordt opgedragen binnen 12 weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de heffingsambtenaar veroordeeld tot betaling van proceskosten en terugbetaling van het griffierecht aan opposant.