ECLI:NL:RBMNE:2021:4589
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde woning gegrond, waarde vastgesteld op €410.000 met proceskostenveroordeling
Eiser, eigenaar van een twee-onder-een-kapwoning uit 1925, betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van €487.000 voor het jaar 2020. Hij stelde een lagere waarde van €410.000 voor, waarmee verweerder bij de zitting instemde. De rechtbank stelde de waarde daarom op €410.000 vast.
Daarnaast was in geschil of eiser een punt voor het verschijnen ter zitting in de proceskostenvergoeding moest worden toegekend. Verweerder vond dat het late indienen van nadere stukken hierover reden was om dat punt te weigeren. Eiser stelde dat hij al eerder had gewezen op de verbouwing en dat de informatie niet pas op de dag vóór de zitting was verstrekt.
De rechtbank concludeerde dat beide partijen steken hadden laten vallen in de communicatie, maar dat dit niet voldoende was om het punt voor verschijnen ter zitting te weigeren. Daarom werd eiser in de proceskosten veroordeeld tot een bedrag van €1.598, inclusief punten voor bezwaarschrift, beroepschrift en verschijnen.
De uitspraak op bezwaar werd vernietigd en de aanslag aangepast aan de nieuwe WOZ-waarde. Tevens werd verweerder opgedragen het griffierecht van €49 aan eiser te vergoeden.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt vastgesteld op €410.000 en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser.