Verzoekster heeft op 29 juli 2020 beroep ingesteld tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen omdat verweerder niet tijdig had beslist op haar verzoek om herbeoordeling. Verweerder heeft alsnog op 14 oktober 2020 een beslissing genomen, waarna verzoekster haar beroep introk en een proceskostenvergoeding vorderde.
De rechtbank stelt vast dat verweerder niet heeft gereageerd op het verzoek om proceskostenvergoeding, wat wordt opgevat als geen bezwaar tegen vergoeding. De rechtbank baseert haar oordeel op artikel 8:75 enPro 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De proceskosten worden vastgesteld op € 267,-, gebaseerd op een puntwaarde van € 534,- en een wegingsfactor van 0,5 vanwege de beperkte aard van het geschil. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht aan verzoekster.
De uitspraak is gedaan door rechter R.C. Stijnen op 18 januari 2021 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van € 267,- aan proceskosten en het griffierecht aan verzoekster.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20 / 2787
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 januari 2021 in de zaak tussen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
1. Verzoekster is op 29 juli 2020 in beroep gegaan, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling. Verweerder heeft dit op 14 oktober 2020 alsnog gedaan. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
2. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 enPro 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
3. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster. De rechtbank leidt hier uit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op
€ 267,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 0,5). Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een wegingsfactor van 0,5 toegepast.
5. Verweerder moet ook het griffierecht aan verzoekster betalen (artikel 8:41 AwbPro).
Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 267,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
K.F.K. Hoogbruin, griffier .De beslissing is uitgesproken op 18 januari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.