Op 4 oktober 2021 heeft de rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving van slachtoffer 1 en daadwerkelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving van slachtoffer 2 op 17 mei 2020 in Utrecht.
De officier van justitie achtte het bewijs tegen verdachte onvoldoende voor feit 1 en verzocht vrijspraak, terwijl voor feit 2 sprake was van voldoende bewijs tegen medeverdachte, maar onvoldoende bewijs voor medeplegen door verdachte. De rechtbank concludeerde dat er geen wettig en overtuigend bewijs was dat verdachte een nauwe en bewuste samenwerking had bij de ontvoering van slachtoffer 2.
De rechtbank overwoog dat verdachte wel aanwezig was bij de parkeergarage waar de ontvoering plaatsvond, maar dat er geen concrete aanwijzingen waren voor een materiële of intellectuele bijdrage. Gezien het ontbreken van bewijs voor medeplegen sprak de rechtbank verdachte vrij van beide feiten.
Daarnaast werd de teruggave van de inbeslaggenomen auto aan verdachte gelast en werd het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven wegens gebrek aan ernstige bezwaren.