Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 augustus 2021 in de zaak tussen
[eiser] uit [woonplaats] , eiser,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
is verhinderd te ondertekenen)
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn benedenwoning, gelegen aan een adres te een woonplaats, die door verweerder is vastgesteld op €188.000 voor het belastingjaar 2020. Verweerder handhaafde deze waarde en onderbouwde dit met een taxatiematrix gebaseerd op vergelijkbare woningen uit dezelfde bouwperiode en wijk.
De rechtbank oordeelt dat verweerder de bewijslast heeft voldaan en dat de gehanteerde referentiewoningen voldoende vergelijkbaar zijn, ondanks verschillen in bouwjaar, oppervlakte en tuin. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder niet alle gevraagde stukken heeft verstrekt en dat onvoldoende rekening is gehouden met de matige staat van onderhoud en voorzieningen van de woning, maar deze gronden worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en strijd met goede procesorde.
Ook het door verweerder gehanteerde indexeringspercentage is niet onjuist bevonden. De rechtbank concludeert dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog is en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €188.000 wordt ongegrond verklaard.