ECLI:NL:RBMNE:2021:4737
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid officier van justitie in vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf na nieuw strafbaar feit
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 6 oktober 2021 de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van vier weken met een proeftijd van twee jaar. De veroordeelde had zich niet gehouden aan de meldplicht en andere voorwaarden, en was opnieuw aangehouden voor een strafbaar feit.
De officier van justitie vorderde tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, terwijl de verdediging primair verlenging van de proeftijd verzocht en subsidiair omzetting van de gevangenisstraf in een taakstraf. De rechtbank stelde vast dat de voorwaardelijke straf reeds volledig was toegewezen bij vonnis van die dag vanwege overtreding van de algemene voorwaarden en het plegen van een nieuw strafbaar feit.
Daarom verklaarde de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging voor zover deze was gebaseerd op overtreding van bijzondere voorwaarden. Dit betekent dat de procedure overbodig was omdat de straf al ten uitvoer is gelegd. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer onder voorzitterschap van mr. H.J. Bos.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf.