ECLI:NL:RBMNE:2021:4747

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 oktober 2021
Publicatiedatum
5 oktober 2021
Zaaknummer
UTR 21/1910
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling wegens niet eerst ingebrekestelling

Verzoekster had bij verweerder verzocht om opheffing van de sluiting en verzegeling van een pand in Lelystad. Toen verweerder niet tijdig besliste, stelde verzoekster beroep in zonder eerst een ingebrekestelling te sturen. Verzoekster beriep zich op een spoedeisend belang en financiële noodsituatie.

De rechtbank oordeelde dat verzoekster onvoldoende had onderbouwd dat het haar redelijkerwijs niet kon worden gevergd om eerst een ingebrekestelling te sturen. De financiële situatie was zorgelijk, maar niet zodanig dat binnen de wettelijk gestelde termijn een noodsituatie ontstond.

Daarom was het beroep niet-ontvankelijk en kon het verzoek om proceskostenveroordeling niet worden toegewezen. De rechtbank wees het verzoek af en maakte dit zonder zitting bekend.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat verzoekster niet eerst verweerder in gebreke heeft gesteld.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/1910

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 oktober 2021 in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster

(gemachtigde: mr. T.D. Rijs),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, verweerder.

Inleiding

Op 5 mei 2021 heeft verzoekster bij verweerder verzocht om de sluiting en verzegeling van het pand [naam] aan het [locatie] te Lelystad op te heffen.
Verzoekster heeft op 13 mei 2021 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder. Zij heeft zich in haar beroepschrift op het standpunt gesteld dat – vanwege het spoedeisend belang dat zij bij de opheffing van de sluiting heeft – niet van haar kan worden verwacht dat zij verweerder eerst nog in gebreke stelt. Hangende dit beroep heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Op 20 mei 2021 is het pand weer gedeeltelijk vrijgegeven door verweerder. Dit was voor verzoekster aanleiding om haar verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken.
Bij besluit van 10 juni 2021 heeft verweerder de gedeeltelijke vrijgave per 20 mei 2021 schriftelijk bevestigd.
Naar aanleiding van dit besluit heeft verzoekster bij brief van 20 juli 2021 het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft hierop niet gereageerd.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3.1
Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
3.2
Ingevolge artikel 6:12, derde lid, van de Awb kan, indien van de belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.
4.1
De rechtbank overweegt dat verzoekster beroep heeft ingesteld wegens het niet tijdig beslissen door verweerder op het verzoek om opheffing van de sluiting en verzegeling van het pand zonder verweerder eerst in gebreke te stellen. Daarom is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb.
4.2
Volgens verzoekster kon redelijkerwijs niet van haar worden gevergd dat zij verweerder eerst nog in gebreke stelde. In dat verband heeft zij erop gewezen dat zij veel schade leidt en in een financieel zeer penibele situatie verkeert. De rechtbank overweegt dat verzoekster in deze procedure niet met stukken heeft onderbouwd dat de financiële situatie zo slecht was dat niet van haar kon worden gevergd verweerder in gebreke te stellen. Ten aanzien van de door verzoekster in het connexe verzoek om een voorlopige voorziening overgelegde continuïteitsverklaring van B-PaC van 5 mei 2021 overweegt de rechtbank dat daaruit weliswaar een zorgelijke financiële situatie blijkt, maar niet dat het bedrijf binnen twee weken (de termijn in 6:12, tweede lid onder b van de Awb) in een financiële noodsituatie terecht zou komen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat redelijkerwijs van verzoekster kon worden gevergd dat zij verweerder in gebreke zou stellen voordat zij beroep instelde wegens niet tijdig beslissen. Het beroep zou bij een inhoudelijke behandeling dan ook niet-ontvankelijk zijn verklaard. Het verzoek om een proceskostenveroordeling wordt daarom afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Brand, griffier. De beslissing is uitgesproken op 4 oktober 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
de rechter is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.