ECLI:NL:RBMNE:2021:4780

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 oktober 2021
Publicatiedatum
7 oktober 2021
Zaaknummer
UTR 19/2438
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking boete Meststoffenregelgeving

Verzoeker stelde beroep in tegen een boete opgelegd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op grond van de Meststoffenregelgeving. De boete was aanvankelijk gehandhaafd maar verlaagd. Na een uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven nam de Minister een nieuwe beslissing op bezwaar, waarin het bezwaar van verzoeker gegrond werd verklaard en de boete werd herroepen.

De rechtbank behandelde het verzoek om proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:54 Awb Pro zonder zitting. Gezien de herroeping van de boete en de daarmee gepaard gaande tegemoetkoming aan verzoeker, wees de rechtbank het verzoek toe en veroordeelde de Minister tot vergoeding van de proceskosten voor de beroepsfase.

De vergoeding werd vastgesteld op € 748,-, zijnde één punt voor de bijstand door een gemachtigde bij het indienen van het beroepschrift. Daarnaast wees de rechtbank erop dat de vergoeding van het griffierecht van € 174,- door de Minister moet worden voldaan, maar dat verzoeker dit rechtstreeks bij de Minister moet claimen.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Minister tot betaling van € 748,- aan proceskosten na herroeping van de boete.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/2438

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2021 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. P.J.G. Goumans),
en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J. Kram).

Inleiding

Verzoeker heeft tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 13 mei 2019 beroep ingesteld. Met deze beslissing handhaaft verweerder de bij besluit van 24 oktober 2017 opgelegde boete op grond van de Meststoffenregelgeving, maar de boete wordt wel verlaagd.
Naar aanleiding van de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 27 juli 2021 [1] heeft verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. In deze nieuwe beslissing op bezwaar verklaart verweerder het bezwaar van verzoeker gegrond. Verweerder herroept het besluit van 24 oktober 2017 waardoor de opgelegde boete van € 38.692,- komt te vervallen.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Gelet op de herziene beslissing op bezwaar van 18 augustus 2021 waarin verweerder het bezwaar gegrond heeft verklaard en de boete heeft laten vervallen, is verweerder tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker.
4. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe en veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. De vergoeding wordt met toepassing van het Bpb als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert één punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 748,-) bij een wegingsfactor 1. Bij de beslissing op bezwaar van 13 mei 2019 heeft verweerder al een proceskostenveroordeling voor de bezwaarfase toegekend, zodat de proceskostenveroordeling alleen ziet op de beroepsfase. Toegekend wordt € 748,-.
5. Verzoeker heeft ook verzocht om vergoeding van het griffierecht. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 174,- te vergoeden. Verzoeker moet zich hiervoor tot verweerder wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 748,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.