ECLI:NL:RBMNE:2021:4798
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde van woning ongegrond verklaard
Eiser maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning aan een adres te een plaats, die door verweerder was vastgesteld op €923.000 voor het belastingjaar 2020. Na bezwaar werd de waarde verlaagd naar €824.000, maar eiser bleef het hier niet mee eens en stelde beroep in.
Tijdens de zitting op 6 augustus 2021 heeft verweerder een taxatiematrix overgelegd die de waardebepaling onderbouwt. De rechtbank oordeelt dat verweerder met deze matrix en de toelichting aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De vergelijking met referentiewoningen is zorgvuldig uitgevoerd, waarbij rekening is gehouden met verschillen in gebruiksoppervlakte, perceelgrootte en bereikbaarheid.
Eiser voerde aan dat de waarde onbegrijpelijk is vanwege een vermeende prijsstijging van 21% ten opzichte van het voorgaande jaar, maar de rechtbank stelt dat de prijsstijging van 14% volgens verweerder niet relevant is voor de waardebepaling. De WOZ-waarde moet jaarlijks opnieuw worden vastgesteld op basis van actuele verkoopcijfers, waarbij eerdere waarden geen rol spelen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter R. in ’t Veld en griffier mr. H.J.J.M. Kock op 10 augustus 2021.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de woning wordt ongegrond verklaard.