Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2021 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. M.H.J. van Kuilenburg).
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) op bezwaar van 10 juli 2020. Tijdens de procedure verving verweerder dit besluit door een nieuw besluit op bezwaar van 29 oktober 2020, waartegen verzoekster eveneens bezwaar maakte. De rechtbank behandelde het beroep op 28 april 2021 en deed op 17 juni 2021 een tussenuitspraak waarin verweerder werd verzocht het besluit te herstellen.
Naar aanleiding hiervan nam verweerder op 6 juli 2021 een nieuw besluit op bezwaar waarin het bezwaar van verzoekster gegrond werd verklaard en een WIA-uitkering werd toegekend met terugwerkende kracht tot 28 november 2019. Verzoekster trok daarop haar beroep in en verzocht om vergoeding van haar proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder geheel tegemoet was gekomen aan de beroepsgronden en wees het verzoek om proceskostenvergoeding toe. De proceskosten werden vastgesteld op €1.496,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarnaast wees de rechtbank erop dat het griffierecht van €48,- door verweerder vergoed moet worden op grond van de Awb.
Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €1.496,- aan proceskosten aan verzoekster.