ECLI:NL:RBMNE:2021:4804
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde van vrijstaande woning
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn vrijstaande woning, gelegen aan een adres in een Nederlandse plaats, voor het belastingjaar 2020. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €738.000, terwijl eiser een lagere waarde van €671.000 bepleitte. De rechtbank heeft de zaak behandeld op zitting waarbij ook een taxateur aanwezig was.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar met een taxatiematrix en toelichting aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De waardebepaling is gebaseerd op vergelijking met referentiewoningen van hetzelfde type, waarbij rekening is gehouden met verschillen in gebruiksoppervlakte, perceelgrootte, onderhoudstoestand en voorzieningen. De voorzieningen zijn als eenvoudig getypeerd en de bouwkundige staat als voldoende beoordeeld.
Eiser voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met gedateerde voorzieningen, ligging nabij drukke wegen, afnemend grensnut door grotere woningoppervlakte en afwijkingen ten opzichte van voorgaande jaren. De rechtbank oordeelde dat deze bezwaren onvoldoende onderbouwd waren en dat de heffingsambtenaar adequaat had toegelicht hoe met deze factoren rekening was gehouden.
Gelet op deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak is gedaan door rechter Schaaf en griffier Kock op 16 augustus 2021.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de woning wordt ongegrond verklaard.