Op 17 december 2020 verleende het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten een omgevingsvergunning voor de bouw van 12 appartementen op een perceel in Houten. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, waarmee het besluit zou worden geschorst totdat het bezwaar is behandeld.
Tijdens de zitting op 27 januari 2021 werd vastgesteld dat het spoedeisend belang van verzoeker aanwezig was, aangezien vergunninghouder half februari 2021 wilde starten met de bouw. De bezwaren van verzoeker richtten zich uitsluitend op de parkeersituatie rondom het bouwplan, waarbij hij stelde dat het bestaande parkeerprobleem bij de naastgelegen kerk niet werd opgelost en dat het bouwplan beter elders gerealiseerd had kunnen worden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat bij de beoordeling van de parkeergelegenheid alleen gekeken moet worden naar de toename van de parkeerbehoefte door het project zelf, niet naar een bestaand tekort. Het bouwplan voorziet in 12 parkeerplaatsen, conform het ontwerp-uitwerkingsplan, en vergroot het parkeerprobleem niet. Daarom is het besluit naar voorlopig oordeel rechtmatig en zal het in bezwaar in stand blijven.
Gezien de belangenafweging weegt het belang van vergunninghouder en de gemeente om het woningtekort te bestrijden zwaarder dan het belang van verzoeker bij schorsing. Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.