ECLI:NL:RBMNE:2021:4912

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juni 2021
Publicatiedatum
13 oktober 2021
Zaaknummer
UTR 21/1767
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 4:17 AwbArt. 4:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over overschrijding beslistermijn en dwangsom gemeente Woudenberg

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen door de gemeente Woudenberg op zijn bezwaar ingediend op 10 april 2020. Volgens de Gemeentewet had de gemeente uiterlijk 31 december 2020 moeten beslissen, maar dit is niet gebeurd. Eiser stelde de gemeente op 6 januari 2021 in gebreke en startte vervolgens een beroep bij de rechtbank.

De rechtbank constateert dat de gemeente niet heeft gereageerd op verzoeken om stukken en een reactie, waardoor niet kon worden vastgesteld of een besluit was genomen of de beslistermijn was verlengd. De rechtbank gaat daarom uit van het niet tijdig beslissen.

Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt een dwangsom opgelegd van €1.442,- voor de periode van 42 dagen dat de gemeente in gebreke was. Daarnaast moet de gemeente binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit nemen. Voor elke dag dat de beslistermijn daarna nog wordt overschreden, geldt een dwangsom van €100,- met een maximum van €15.000.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het niet tijdig genomen besluit en veroordeelt de gemeente tot betaling van proceskosten van €267,- en het griffierecht aan eiser. Hiermee wordt de rechtszekerheid en het recht op tijdige besluitvorming gewaarborgd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een dwangsom op aan de gemeente en draagt op binnen twee weken alsnog een besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/1767

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser,

(gemachtigde: G. Gieben)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Woudenberg, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiser heeft zijn bezwaar ingediend op 10 april 2020. Verweerder had uiterlijk op
31 december 2020 moeten beslissen op eisers bezwaar. Dat staat in artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet. Eiser voert aan dat verweerder dat nog steeds niet heeft gedaan.
4. De rechtbank heeft verweerder bij brief van 5 mei 2021 verzocht om binnen twee weken de stukken in te dienen en een reactie te geven op het beroep van eiser. Verweerder heeft niet binnen deze termijn gereageerd. De rechtbank heeft als gevolg daarvan niet kunnen vaststellen of verweerder inderdaad niet voor of op 31 december 2020 een beslissing op eisers bezwaar heeft genomen, of de beslistermijn is verlengd en zo ja, tot wanneer en of er inmiddels wel een beslissing op eisers bezwaar is genomen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat dit allemaal niet is gebeurd.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser verweerder op 6 januari 2021 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.
6. In artikel 4:17 van Pro de Awb staat dat als een bestuursorgaan niet op tijd een besluit neemt, het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor elke dag dat het in gebreke is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden (artikel 4:18, lid 1, Awb).
7. Omdat verweerder niet heeft gereageerd op eisers beroep, kan de rechtbank ook niet vaststellen of verweerder een beslissing heeft genomen over de hoogte van de dwangsom. Daarom stelt de rechtbank de dwangsom vast (artikel 8:55c Awb). In dit geval is verweerder de maximale dwangsom van € 1.442,- verschuldigd.
8. Omdat er van uit moet worden gegaan dat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak (artikel 8:55d, lid 1, Awb).
9. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
10. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van Pro de Awb). Dat betekent ook dat eiser een vergoeding krijgt voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 267,-.
11. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiser heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 267,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van
K.F.K. Hoogbruin, griffier
.De beslissing is uitgesproken op 10 juni 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.