ECLI:NL:RBMNE:2021:4914

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 juni 2021
Publicatiedatum
13 oktober 2021
Zaaknummer
UTR 21/753
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens intrekking belang na besluit handhaving

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren op haar verzoek om handhaving. Nadat verweerder alsnog op 5 februari 2021 een besluit heeft genomen, heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen dat besluit.

De rechtbank overweegt dat het beroep gericht was op het verkrijgen van een beslissing op het verzoek om handhaving. Nu verweerder heeft beslist, is het oorspronkelijke belang van het beroep komen te vervallen, waardoor het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. De rechtbank ziet daarom af van inhoudelijke beoordeling.

Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht en de proceskosten van € 267,-, berekend op basis van een puntensysteem met een wegingsfactor van 0,5 vanwege de beperkte aard van het geschil.

De uitspraak is gedaan door rechter R.C. Stijnen en griffier K.F.K. Hoogbruin op 29 juni 2021, zonder dat een zitting heeft plaatsgevonden.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat verweerder inmiddels heeft beslist; verweerder moet griffierecht en proceskosten vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/753

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. M.M. Breukers)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren,verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om handhaving.
Op 5 februari 2021 heeft verweerder alsnog een besluit genomen op het verzoek van eiseres.
Eiseres heeft op 1 april 2021 aangegeven dat zij inmiddels bezwaar tegen het besluit heeft aangetekend. Eiseres verzoekt de gronden van bezwaar op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als gronden van beroep aan te merken en in behandeling te nemen.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2.
Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Dat is wat eiseres heeft gedaan. Inmiddels heeft verweerder wel een besluit genomen. Verweerder heeft dus gedaan wat eiseres wilde en de rechtbank hoeft dit dan ook niet meer aan verweerder op te dragen. Omdat eiseres het beroep niet heeft ingetrokken moet de rechtbank nog wel een beslissing nemen over het beroep.
3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank zal geen uitspraak doen over de vraag of eiseres gelijk had met haar beroep. Dit is om de volgende reden. Eiseres wilde met haar beroep bereiken dat verweerder zou beslissen op haar verzoek om handhaving. Omdat verweerder heeft beslist, heeft het beroep van eiseres geen zin meer. Eiseres heeft daarom geen belang meer bij haar oorspronkelijke beroep (geen procesbelang).
4. Over de vergoeding van de proceskosten die eiseres vraagt overweegt de rechtbank het volgende.
5. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de andere partij laten betalen (artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
6. De rechtbank stelt de proceskosten van eiseres die verweerder moet betalen vast op € 267,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 0,5). Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een wegingsfactor van 0,5 toegepast.
9. Verweerder moet ook het griffierecht aan eiseres betalen (artikel 8:41 Awb Pro).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiseres heeft betaald moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 267,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
K.F.K. Hoogbruin, griffier
.De beslissing is uitgesproken op 29 juni 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.