In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om een last onder dwangsom die het bewonen van een voormalige agrarische woning door twee huishoudens verbiedt. De woning is in 2003-2004 verbouwd en kadastraal gesplitst in twee adressen. Verzoeker woont sinds 2017 op het tweede adres en kocht dit in 2019. Het college legde in 2019 en opnieuw in 2021 een last onder dwangsom op na handhavingsverzoeken van een derde-partij, eigenaar van het eerste adres.
Verzoeker betwist dat hij de regels van het bestemmingsplan overtreedt en stelt dat het tweede adres het hoofdgebouw betreft waar gewoond mag worden, terwijl het eerste adres een aanbouw is. Hij vraagt de voorlopige voorziening om het handhavingsbesluit te schorsen tot de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak over het hoger beroep tegen de eerdere last onder dwangsom.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het besluit van het college naar verwachting in bezwaar in stand kan blijven, verwijzend naar een eerdere uitspraak waarin werd geoordeeld dat het geheel als één woning wordt beschouwd. De belangenafweging leidt tot het oordeel dat de belangen van het college en de derde-partij bij handhaving zwaarder wegen dan het belang van verzoeker om te mogen blijven wonen. Verzoeker kan redelijkerwijs elders tijdelijk verblijven zonder verkoop van de woning.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er worden geen proceskosten toegewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.