Eiseres, namens haar minderjarige dochter met een verstandelijke beperking en astma, verzocht om een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer voor het schooljaar 2021/2022. Verweerder kende een vergoeding toe voor openbaar vervoer onder begeleiding, gebaseerd op deskundigenadviezen van MO zaak en Oreon, die stelden dat de leerling niet zelfstandig maar wel onder begeleiding met het OV kan reizen.
Eiseres voerde aan dat het besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel en dat het onzorgvuldig is genomen, mede vanwege een advies van de school dat aangepast vervoer noodzakelijk zou zijn. De rechtbank oordeelde dat geen sprake is van een toezegging die het vertrouwensbeginsel rechtvaardigt en dat verweerder zich terecht baseerde op de deskundigenadviezen, die zorgvuldig en inzichtelijk zijn.
De rechtbank vond onvoldoende aannemelijk dat begeleiding onmogelijk is of tot ernstige benadeling van het gezin leidt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.