Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
proces-verbaal van bevindingen [2] van 1 augustus 2020 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:
letselrapportage [3] over [slachtoffer] – zakelijk weergegeven – geschreven:
proces-verbaal van verhoor getuige [4] van 12 augustus 2020 – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
aangerend in een sprint en zonder dat [slachtoffer] kon reageren kreeg hij de eerste klap.V: Heb jij die klap gezien?A: Ja. met zijn linkerhoek met zijn linker vuist. Deze kwam aan de rechterkant van [slachtoffer] zijn gezicht.V: Wat gebeurde er met [slachtoffer] daarna?A: Die viel als een plank achterover. Net zoals je in de film ziet als iemand knock-out gaat.V: Waar kwam hij terecht?A: Met zijn hoofd op de stoeprand, vandaar dat gat op zijn hoofd.
is boven [slachtoffer] gaan staan met zijn lichaam met zijn benen naast zijn bovenlichaam. Ik zag dat hij toen vuistslagen, afwisselde met links en rechts, tegen het hoofd van [slachtoffer] sloeg.
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
9.BENADEELDE PARTIJ
materiëleschade en zal de benadeelde partij ten aanzien van die schade, zoals verzocht, niet ontvankelijk verklaren; die schade zal dan, indien ingetreden, bij de burgerlijke rechter kunnen worden gevorderd.
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
11.BESLISSING
gevangenisstraf van 24 maanden;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag van € 7.277,-, bestaande voor een bedrag van € 2.777,- uit materiële schade en voor een bedrag van € 4.500,- uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente gerekend vanaf 1 augustus 2020 tot dag van volledige betaling;
- verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 7.277,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente gerekend vanaf 1 augustus 2020 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 70 dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.